‘Vader Owen’ - De 19de-eeuwse wortels van de coöperatieve beweging

1Burgers verenigen zich steeds vaker in coöperatieven. Ze runnen samen een winkel als de laatste buurtsuper sluit, of ze nemen de noodlijdende kinderopvang over. Dit idee is niet nieuw. In de 19de eeuw waren er al bedrijven die de belangen van werknemers en klanten als uitgangspunt namen. Soms ging het initiatief uit van een welwillende maar vaak ook paternalistische fabrikant. Robert Owen is van hen het boegbeeld. 

 

Bert Schaafsma

 

Zes landarbeiders uit het Zuid-Engelse dorpje Tolpuddle richtten in 1834 een vakbond op om te strijden tegen de zoveelste loonsverlaging. Niemand kon leven van zes shillings per week. In de jaren van de Industriële Revolutie waren de arbeiders volledig overgeleverd aan de wil van de ondernemers, die op hun beurt waren onderworpen aan de grillen van de markt. De mannen werden opgepakt en veroordeeld tot verbanning naar Australië, wegens het vormen van een geheim genootschap. Het vonnis was echter vooral gericht tegen hun poging zich te verenigen tegen de ondernemers. De wet bood nauwelijks bescherming. De Tolpuddle Martyrs, zoals ze zijn gaan heten, werden beschouwd als misdadigers. 

 

Velen trokken zich de onrechtvaardigheid van dit vonnis aan. Een van hen was de ondernemer Robert Owen. Hij organiseerde een demonstratie tegen de veroordeling van de zes. Ruim 100 000 mensen verzamelden zich in Londen, 800 000 tekenden een petitie. Onder druk van de vele protesten besloot de regering een jaar later de mannen vrij te laten. 

3

 

Verlichte ondernemer

Robert Owen had naam gemaakt door zijn sociale aanpak in zijn katoenfabrieken in het Schotse New Lanark. In het dal van de rivier de Clyde had zijn schoonvader David Dale in 1784 een fabriek gebouwd samen met Richard Arkwright, de uitvinder van het industrieel katoenspinnen. De snelstromende Clyde was uitermate geschikt voor door waterkracht aangedreven machines. Owen nam de zaak in 1800 over.

 

De arbeidersgezinnen woonden op het fabriekscomplex. Onder de zo’n 1300 werknemers waren zoals toen gebruikelijk veel jonge kinderen. Owen zag talloze problemen zoals veelvuldige dronkenschap en veel criminaliteit. Voor hem was dit de ideale plek om zijn verlichte idealen in praktijk te brengen, namelijk dat de omgeving het karakter van de mensen bepaalt. Als de arbeiders hun werk konden doen in een omgeving zonder armoede, waarin ze niet werden uitgebuit, zou de immoraliteit verdwijnen. Voor de opvoeding van kinderen gold dit natuurlijk des te meer. 

 

Owen voerde een strikt regime in. De arbeiders mochten maximaal tien uur per dag werken en kinderen werkten bij hem pas vanaf hun tiende jaar - een groot verschil met wat eerder en elders gebruikelijk was. Maar daar stond tegenover dat opzichters van iedereen nauwkeurig een dossier bijhielden, de zogeheten books of character. Inzet en prestaties waren af te lezen aan houten blokjes die in de buurt van elke arbeider hingen. Deze ‘silent monitors’ of ‘telegraphs’ waren aan elke zijde gekleurd, respectievelijk met zwart, blauw, geel en wit. Als de voorzijde de kleur wit droeg, dan was je de vorige dag ‘excellent’ bevonden, bij zwart ‘bad’ enzovoort. 

Dronkenschap van de arbeiders werd niet getolereerd en beboet, bij herhaling volgde ontslag. Op hygiëne, orde en goed gedrag werd streng toegezien. ’s Avonds werd gepatrouilleerd. Men diende zijn woning en omgeving netjes te verzorgen. Aanvankelijk was de ‘military police’ zoals men de inspecteurs noemde, bepaald niet populair. 

 

Owen was zelf zeer punctueel en wilde als een strenge vader het goede voorbeeld geven. Hij raapte elk vlokje katoen op de werkvloer op: er mocht niets worden verspild en alles moest er schoon uitzien. Zijn opvoedende ambities gingen nog verder. Hij liet de arbeiders een klein bedrag in de maand opzij leggen ten behoeve van voorzieningen zoals een ziekenfonds en een spaarbank. 

 

Een belangrijk initiatief was zijn fabriekswinkel. Door in bulkhoeveelheden in te kopen was de prijs lager dan elders. Desondanks maakte de winkel winst, en die ging naar de school, een van zijn paradepaardjes. Hier kregen de kinderen een ongewoon brede opleiding, in rekenen, taal, aardrijkskunde en geschiedenis, maar ook in beleefdheid (the polite accomplishments) en dansen. Langzamerhand overwon Owen de fikse weerstand van de arbeiders. Het mes sneed bovendien aan twee kanten: de bedrijfsresultaten verbeterden aanmerkelijk, legde Owen uit in zijn A New View Of Society (1813). Het succes van New Lanark daagde hem uit tot meer. Maar soms wil een mens te veel. Andere door hem opgezette gemeenschappen, onder andere in Amerika, mislukten al snel. 

 

In de rij op Divi-day

Arbeiders in Owens fabrieken hadden het relatief goed, maar de leef- en werkomstandigheden van andere arbeiders waren nog steeds schrijnend. Het voorbeeld van de Tolpuddle Martyrs had duidelijk gemaakt hoe gevaarlijk het was om je tegen ondernemers te richten. Een andere methode was geboden. De arts William King uit Brighton werd geïnspireerd door Owen, maar koos voor een tegenovergestelde benadering. In zijn tijdschrift The Co-operator schreef hij ‘The evils may be cured; and the remedy is in our hands. The remedy is co-operation.’ Ofwel: niet de ondernemer maar de arbeiders zélf moesten een winkel runnen als begin van een betere samenleving. Owen geloofde er niet in: ‘Een gemeenschap kan een winkel bouwen, maar een winkel zal nooit een gemeenschap bouwen.’ 

 

Maar het werkte wel, zo bewezen 28 textielarbeiders uit het stadje Rochdale bij Manchester. Zij openden in 1844 samen een winkel. De Rochdale Society of Equitable Pioneers was de eerste succesvolle verbruikscoöperatie. 

 

De Rochdale Pioneers kozen voor een open en vrijwillig lidmaatschap: iedereen mocht kopen in de winkel, niemand werd ertoe verplicht. Leden betaalden wekelijks inleggeld en kregen jaarlijks een dividenduitkering. Nauwkeurig werd bijgehouden hoeveel men in de winkel had gekocht en van het totaalbedrag kreeg men aan het eind van het jaar een percentage uitgekeerd. Het stimuleerde de mensen tot kopen in de eigen winkel. Dat werkte: tijdens Divi-day stonden lange rijen mensen voor de winkel voor uitbetaling van hun aandeel.

 

6

 

Huisvrouwen schaamden zich

De aanloopperiode was moeizaam. De pioniers moesten opboksen tegen vooroordelen, maar ook was er eerst maar erg weinig te koop in de winkel, die bovendien in een onaanzienlijke straat stond. Een plaatselijke winkelier, die de coöperatie als concurrent beschouwde, dreigde smalend de hele voorraad producten op te zullen kopen: ‘De gehele winkel kan in een kruiwagen worden weggeschoven.’ Sommige huisvrouwen schaamden zich om gezien te worden in zo’n armetierige bedoening. 

 

De Rochdale-pioniers hadden geleerd van eerdere op Owen geïnspireerde coöperatie-initiatieven die waren mislukt. Een kardinaal ‘Rochdale-principe’ was bijvoorbeeld het verbod op verkopen ‘op de pof’. Zo had de winkel steeds geld en de klant geen schulden. De leden, samen eigenaar, beslisten volgens democratische regels over zaken als benoemingen, uitbreiding en aankopen. Men sprak niet van winst maar van ‘overschot’ of ‘surplus’. Dit werd besteed aan verbetering van de winkel maar ook aan bijvoorbeeld onderwijs voor kinderen én volwassenen. Net als Owen beschouwden de Rochdale pioniers onwetendheid als een belangrijke oorzaak van de sociale ellende. 

 

De formule sloeg aan. Het ledenaantal steeg in 1880 tot ruim 10 000. Ook in tijden van crisis hield de coöperatie zich goed staande. Er kwam een slagerij bij, een kleermakerij en andere winkels. Men ging ook steeds meer zelf produceren zoals in eigen meelfabrieken. Men bouwde huizen voor de leden die beter waren dan de gemiddelde arbeiderswoning en kocht landerijen om werklozen aan een baan te helpen. Ook een ziekteverzekering en een uitvaartonderneming maakten deel uit van het Rochdale-pakket.

 

‘Help U Zelven’ herontdekt

De beweging breidde zich uit over Engeland en waaide ook over naar Nederland. Een enthousiast artikel van B.D.H. Tellegen in 1865 in De Gids over Rochdale motiveerde de Zaandamse fabrikant Jan Zwaardemaker in datzelfde jaar tot het oprichten van de eerste Nederlandse Verbruikscoöperatie met de toepasselijke naam Help U Zelven. 

 

Vele initiatieven volgden, en na bijna evenzovele mislukkingen kwam vanaf ca 1870 de beweging echt van de grond. Namen als Eigen Hulp en Eendracht Maakt Macht zeggen iets over de beleving en de ambities van de coöperaties. Gedurende de 20ste eeuw sloten ze zich aaneen in overkoepelende verenigingen, met onder meer de bekende co-op supermarkten, brood- en banketwinkels, slagerijen, textielzaken en drogisterijen. Op het hoogtepunt, begin jaren zestig, had ze zo’n 400 000 leden en 11000 werknemers. Hun motto: ‘Bij de Coöperatie staat het verbruikersbelang op de eerste plaats. De Coöperatie is van u en werkt voor u. Niet om het gewin, maar voor het gezin.’ 

 

Hierna ging het snel bergafwaarts, vooral door het toenemen van de welvaart, waardoor onderlinge solidariteit en economische samenwerken minder nodig waren, maar ook het weinig krachtdadig beleid van de coöperaties. In 1973 viel het doek en gingen vele winkels failliet. Het uitgangspunt van ‘Help U Zelven’ is echter herontdekt. Nu de overheid maatschappelijke taken steeds minder uitvoert, doen burgers ze samen zelf: kinderopvang, wijkverpleging, de buurtwinkel, dagbesteding voor ouderen. Ook arbeidsvreugde kan een motief zijn, het hervinden van een vertrouwen in eigen inzichten als je eigen baas bent. 

 

De moderne coöperaties opereren in een complex economisch stelsel, dat er anders uitziet dan toen de coöperatieve gedachte werd geboren en bloeide. Maar het gevoel, de leden tegen de willekeur van de markt te moeten beschermen, is hetzelfde. Zo maakte beeldhouwer Hildo Krop in 1932, midden in de grote Depressie, toen mensen zich nog meer zonder overheidshulp moesten zien te redden dan nu, een reliëf voor het gebouw van de Coöperatieve Groothandelsvereeniging de Handelskamer te Rotterdam. Het is een steigerend paard, in bedwang gehouden door een krachtige mannenfiguur, voorzien van de tekst ‘De verbruikscoöperatie beteugelt met sterke hand de ongebreidelde maatschappelijke krachten en stelt ze in dienst van het gansche volk.’ 

 

Zou zo’n reliëf nu gemaakt zijn, dan had het wellicht verwezen naar de oncontroleerbare financiële markten die onder anderen Joris Luyendijk beschrijft in zijn boek over de Londense City Dit kan niet waar zijn (2015). Aan nieuwe uitdagingen voor de coöperatieve beweging geen gebrek! 

 

Kader

4Robert Owen (1771-1858)

De zoon van een zadelmaker in Newtown (Wales) vertrekt op zijn tiende van huis om elders leerervaringen op te doen, vooral in de textielbranche. Na vele omzwervingen en baantjes komt hij op zijn 17de terecht in Manchester en ziet met eigen ogen hoe het ambachtelijk productieproces plaats maakt voor een fabrieksmatig. In spinfabrieken zorgen innovaties als de door waterkracht aangedreven waterframe (1769) voor de eerste massaproductie. Owen maakt vele contacten en helpt bedrijven opstarten waar de nieuwste technieken worden toegepast. Hij wordt als industrieel ondernemer uitgenodigd in gesprekskringen zoals The Manchester Literary and Philosophical Society. Hier doet hij zijn ideeën op omtrent de Formation of Character: de omgeving bepaalt het karakter van de mens. Als inkoper van katoen voor de Corlton Twist Company ontmoet hij in Schotland David Dale, eigenaar van een grote textielfabriek te New Lanark. Dale tobt met zijn gezondheid en wil zich terugtrekken uit de zaken. Owen, nog geen 30, huwt Dales dochter Caroline en neemt in 1797 het bedrijf over namens Corlton Company. In 1800 wordt hij zelf eigenaar. Hij reorganiseert New Lanark en vele politici en hoogwaardigheidsbekleders uit binnen- en buitenland willen zijn succesvolle aanpak zien. Dochterexperimenten mislukken echter. Omstreeks 1825 vertrekt Owen als gevolg van conflicten naar Londen, waar hij tot aan zijn dood actief blijft als voorvechter van de belangen van de arbeider. 

 

Bert Schaafsma is docent geschiedenis in het voortgezet onderwijs en freelance publicist.

 

Verder lezen 

*Ian Donnachie, Robert Owen. Social Visionary, John Donald Publishers, 2005

*Ton Oosterhuis, Niet om het gewin maar voor het gezin. De geschiedenis van de Nederlandse verbruikscoöperaties vanaf 1865, Sdu Uitgevers, 2000

 

*  Uw e-mailadres

*
  Voer de code in: