Schuilen in Artis' apenrots

Rubriek Onderduik

 

Tijdens de bezetting werd Amsterdam overspoeld door Duitse Wehrmachtsoldaten. Velen van hen waren jong en vrijgezel. In hun vrije tijd namen ze Nederlandse meisjes mee de stad in. Net als tegenwoordig was Artis een populaire bestemming: samen romantisch aapjes kijken. Wat de Wehrmachtsoldaat allerminst doorhad, was dat zich aan de achterkant van de apenrots regelmatig onderduikers schuilhielden.

 

Jaap Cohen 


De dierentuin had in de jaren '30 zwaar weer gekend, maar was tijdens de oorlog opgebloeid. Dat was niet alleen te danken aan de nieuwe Duitse bezoekers, maar ook aan de van oorsprong Zwitserse directeur Armand Sunier. In perfect Duits gaf hij de bezetter duidelijk en correct te kennen wat de dierentuin nodig had om de zaak draaiende te houden. Van hun kant waren de Duitsers erg geïnteresseerd in dierentuinen (en niet alleen om er hun meisjes mee naar toe te nemen). De door rassenwaan bevangen nazi’s hadden namelijk behoefte aan een Germaans oerdier, dat ze dachten te kunnen reproduceren met behulp van Artis’ fokprogramma’s voor het wisentkalf (of: Europese bizon). Met andere woorden: waar in de rest van de stad schaarste optrad, zorgden de Duitsers er met name in de eerste oorlogsjaren voor dat de dierentuin niets te kort kwam.


Ook Joden hadden interesse in de dierentuin, maar om een heel andere reden. Omdat Artis dichtbij de Amsterdamse Jodenbuurt was gelegen, gold het als een geschikte plek om razzia’s te ontvluchten. Maar dan moesten de dierentuinmedewerkers wel meehelpen. Dat deden ze gelukkig. Employés legden regelmatig een loopplank over de geul naar de apenrots voor Joodse vluchters. Ook de oppassers van het wolvenhuis, het ijsberenverblijf en de leeuwengalerij knepen graag een oogje toe en lieten onderduikers binnen (al sliepen de onderduikers hier natuurlijk niet in hetzelfde hok als de dieren). Niet dat het er trouwens geriefelijk was: het zag er zwart van de kakkerlakken. Gelukkig hoefden de onderduikers er normaal gesproken alleen ’s nachts te verblijven; overdag mengden ze zich ‘gewoon’ onder de bezoekers.
Hadden de Duitsers dan niets in de gaten? Misschien wel, want ze stonden enkele keren op het punt om de kooien te inspecteren. De dierenverzorgers konden dat verzoek natuurlijk niet weigeren. Wel vertelden ze dat sommige dieren een levensgevaarlijke virusziekte onder de leden hadden. De Duitsers wisten niet hoe snel ze ergens anders moesten inspecteren.


Tijdens de hele oorlogsperiode heeft Artis wel 200 tot 300 onderduikers gehad: behalve Joden doken er ook veel mannen voor de Arbeidsinzet onder. Dat dit mogelijk was, is voor een groot deel te danken aan directeur Sunier. Hij wist officieel van niets, maar hij moet donders goed in de gaten hebben gehad dat er ’s nachts niet alleen dieren in zijn dierentuin verbleven. De Duitsers zijn er nooit achtergekomen, ook al zat het bureau van de Grüne Polizei om de hoek.
Er is slechts één moment geweest waarop het bijna misging: in de nacht van 13 op 14 juli 1941 raakten verdwaalde geallieerde brandbommen enkele Artisgebouwen. Er was paniek, maar gelukkig kon geen van de roofdieren uitbreken en bleven (de toen nog weinige) onderduikers ongedeerd. In de consternatie had wel een konijntje haar pootje gebroken <H> ze moest worden afgemaakt. Samen met enkele gifslangen, die uit voorzorg na de Duitse inval waren geruimd, bleek dit konijntje uiteindelijk het enige oorlogsslachtoffer dat in Artis te betreuren viel.

 


Voor dit stuk is gebruikgemaakt van het boek Overleven in de dierentuin (2010) van Maarten Th. Frankenhuis.

 

Extra info

Dit jaar start het niod Instituut voor oorlogs-, holocaust en genocidestudies een groot onderzoek naar de Joodse onderduik in de Tweede Wereldoorlog. De gedachten gaan dan automatisch naar Anne Frank. Maar hoe het bij haar ging <H> één adres, samen met haar familie, geen 'gastgezin' <H> was uitzonderlijk. De meeste onderduikers kwamen in heel andere situaties terecht.

*  Uw e-mailadres

*
  Voer de code in: