Beeldenstormen

RP-P-OB-66.160

 

Deze zomer 450 jaar geleden begon de Nederlandse Beeldenstorm - op 10 augustus 1566 in het West-Vlaamse Steenvoorde. De beweging verspreidde zich snel naar het oosten en noorden. Katholieke kerken en kloosters werden gezuiverd van heiligenbeelden en crucifixen, alles wat geassocieerd werd met de mis: ook hosties, altaren en priesterlijke gewaden moesten er op veel plaatsen aan geloven. Het vernielen van heilige beelden, plaatsen of objecten was in 1566 niet nieuw en evenmin uniek- West-Europees. 

 

Erika Kuijpers

 

Het kapot maken van heiligdommen was al in de vroege middeleeuwen een belangrijke strategie van missionarissen die probeerden om volken in het noorden van Europa te kerstenen (Rob Meens, p. 16). En in de 8ste en 9de eeuw was Byzantium in de ban van gewelddadige debatten over het Tweede Gebod uit het Bijbelboek Exodus, ‘Gij zult u geen gesneden beeld maken’, waardoor veel iconen sneuvelden (Raf Praet, p. 18). Het breken van beelden is zeker geen christelijk monopolie. In de islam was de afbeelding van de profeet en het goddelijke verboden. Islamitische gelovigen konden met dit verbod schermen als ze zich al dan niet militant wilden distantiëren van andere religieuze groepen. Bij de beeldenstorm die nu in het islamitische kalifaat in Syrië en Irak woedt, is daarnaast ook het (religieus) erfgoed van pre-islamitische culturen doelwit van aanvallen. Gijs Kruijtzer laat in zijn artikel over India overigens zien dat het veronderstelde totale beeldverbod in de islam genuanceerd moet worden. Aan het hof van de Moguls werd wel degelijk figuratieve kunst verzameld(p. 26). 

 

Het breken van beelden was niet per se of uitsluitend religieus gemotiveerd. In India bijvoorbeeld was het vernielen van de godenbeelden in Hindoeïstische tempels onderdeel van de machtsstrijd tussen veroveraars en Indiase koningshuizen. Machtspolitiek heeft altijd behoefte aan sterke symbolen. Ook in politieke ideologieën waarin grote leiders worden verheerlijkt, kan de vernieling van standbeelden daarom de proporties van een beeldenstorm aannemen. Zo ging toen de Sovjet-Unie uiteenviel in 1991 bijna overal ’Vadertje Lenin’ omver (Francis Boer, p. 30).

 

Uit honger of religieuze vervoering?

De vraag is natuurlijk steeds: wat zijn de werkelijke motieven voor het stuk maken van de beelden van de tegenpartij. Voor de Nederlandse Beeldenstorm van 1566 is die vraag in de loop der tijd steeds weer anders beantwoord. De protestantse elite distantieerde zich vrijwel onmiddellijk van de Beeldenstorm. Zij bazuinden rond dat de beeldenstormers tot het rapaille behoorden, ‘slecht’ volk dat er vooral op uit was geweest de buik te vullen en relletjes te schoppen. In de Noord-Nederlandse geschiedschrijving van de 17de eeuw en daarna werden er tamelijk weinig woorden aan deze schaamtevolle episode gewijd. Ook de moderne geschiedschrijving volgde in eerste instantie deze versie. De marxistische historicus Erich Kuttner beschreef in 1949 in zijn boek Het Hongerjaar 1566 de Beeldenstorm zelfs als een vroege voorloper van de klassenstrijd. Het waren de onderdrukten tegen de onderdrukkers, de arbeiders tegen de vrijgestelden, te weten de clerus en de proto-kapitalistische elites. 

 

In de jaren tachtig en negentig werd het beeld bijgesteld door sociaalhistorisch onderzoek naar de  sociale positie van de mensen die veroordeeld waren voor deelname aan de beeldenstorm. Dit bleek een uitermate gemêleerd gezelschap waarin vaak alle geledingen van de stedelijke samenleving vertegenwoordigd waren. In sommige plaatsen waren de beeldenbrekers nota bene ingehuurd door de lokale adel. Wat bewoog hen? De Britse historicus Alastair Duke liet in de jaren negentig zien dat de beeldenbrekers in 1566 wel degelijk uit religieuze motieven handelden, of in ieder geval de beelden die ze braken bovennatuurlijke krachten toedichtten - net als de iconoclasten in Byzantium. Waarom anders werden de heiligenbeelden in 1566 met zoveel rituele omhaal publiekelijk mishandeld, bespot, verbrand, verdronken? De demonische macht van de beelden moest worden gebroken en veel beeldenstormers dronken zich letterlijk moed in om die krachtmeting aan te gaan.

 

Een verhaal over ‘de ander’

De rituele en uiterst theatrale manier waarop het Roomse erfgoed eraan moest geloven, was een heel belangrijk onderdeel van de Beeldenstorm. Er was geen tijdgenoot die de boodschap kon zijn ontgaan. Precies zoals IS met de beelden uit Palmyra de media in de hele wereld haalde. Het stuk van Judith Pollmann en mijzelf over de verhalen die katholieken en protestanten vertelden over 1566, laat vooral zien dat de Beeldenstorm één van de eerste polariserende gebeurtenissen was waartoe protestanten en katholieken zich moesten verhouden (p. 23). Het verhaal dat ze er in eigen kring over vertelden, gaf vorm aan hun nieuwe groepsidentiteit. Voortaan waren er twee soorten Nederlanders: katholieke en protestante, goede en slechte, of andersom natuurlijk. In de herinnering kwam ‘de ander’ er niet al te best af. 

 

InleidngSpecial  2

IS blaast in Palmyra een tempel op uit de oudheid. 

 

Kadertekst: De hete zomer van 1566

De Beeldenstorm was het hoogtepunt van een lange zomer van euforische bijeenkomsten in het open veld waar rondtrekkende predikers de nieuwe leer verkondigden en massa’s toehoorders trokken. De lokale autoriteiten hadden steeds geprobeerd zich aan de draconische ketterplakkaten te houden die Karel V en zijn zoon Filips II voor de Nederlanden hadden uitgevaardigd, maar men begon de brandstapels aardig moe te worden. In het voorjaar van 1566 bood de lagere adel landvoogdes Margaretha van Parma een Smeekschrift aan, met onder meer een verzoek om matiging van die plakkaten. Het werd ingewilligd in afwachting van een antwoord van de koning. Maar omdat een antwoord uit Madrid wel een tijdje op zich zou laten wachten konden in de tussentijd protestantse predikers, terug uit hun ballingschap, vrijelijk opereren. Hun snel groeiende aanhang gaf de sympathisanten van het nieuwe geloof het gevoel dat het tij definitief in hun voordeel zou keren. Aan het eind van de zomer vonden zij het ook tijd om gebedsruimten op te eisen - desnoods met geweld.

 

De reactie van de lokale overheden op de Beeldenstorm was zoals de predikers verwachtten inderdaad in de meeste gevallen weifelend en halfslachtig. Vaak pakte de overheid slechts een paar beeldenstormers op, of ze probeerde geweld te voorkomen door zo snel mogelijk met de protestanten te onderhandelen, concessies te doen en hen soms zelfs een kerk aan hen toe te wijzen. Margaretha riep de hoge adel op om namens haar een einde te maken aan de troebelen. Maar ook zij deden dat in de meeste gevallen door tegemoet te komen aan de wensen van de protestanten. Doordat de nieuwe religie volop sympathisanten had gevonden onder de stedelijke middengroepen en zelfs onder de elites en in kringen van de adel, kregen zij vaak veel voor elkaar bij de lokale besturen.

 

Filips II was furieus toen hij hoorde van de Beeldenstorm en ook over het gebrek aan loyaliteit en daadkracht van de Nederlandse adel en bestuurders. Daarom zond hij in 1567 een leger onder leiding van de Hertog van Alva om orde op zaken te stellen en de plaats van Margaretha als gouverneur in te nemen. Alva richtte een speciale rechtbank op: de Raad van Beroerten, om niet alleen alle beeldenstormers maar ook de lakse en dus ongehoorzame autoriteiten te bestraffen. In totaal werden er ongeveer 11 000 mensen berecht. Er werden slechts duizend van hen daadwerkelijk geëxecuteerd doordat de meesten op tijd waren gevlucht. Zij werden bij verstek veroordeeld en al hun goederen zijn geconfisqueerd. Eén van de veroordeelden was Willem van Oranje.

 

Een geïllustreerd overzicht biedt Jan J.B. Kuijpers, De Beeldenstorm. Van oproer tot opstand in de Nederlanden, 1566, Walburg Pers, 2015 

(Ook nog steeds verkrijgbaar voor een tientje en heel degelijk: Herman Kaptein, De Beeldenstorm. Hilversum: Verloren, 2002.)

 

 

 

*  Uw e-mailadres

*
  Voer de code in: