Soldaten van Frederik Hendrik gevonden

FH en neef bekijken beleg

 

 

Bij archeologische opgravingen bij Vught zijn drie skeletten gevonden. Waarschijnlijk gaat het om soldaten uit het leger van stadhouder Frederik Hendrik, die in 1629 het nabijgelegen Den Bosch belegerde. Het lukte hem de stad, die als onneembaar werd beschouwd, te bedwingen. Hoe kreeg hij dat voor elkaar? En hoe was het leven van gewone soldaten in zijn leger? Mike Harmsen zocht het uit.

 


Liever vechten
Als jonge edelknaap had Frederik Hendrik al grote belangstelling voor de krijgskunst. In 1593 ging hij studeren aan de universiteit van Leiden, negen jaar oud, maar dit was in die tijd niet ongewoon. Hij legde zich er toe op wiskunde, met name de leer van de ballistiek voor de beschieting van vestingwerken. Maar veel belangstelling voor leren had hij niet; wél voor bij de praktische krijgskunst. Hij mocht die al een beetje botvieren toen hij in zijn eerste studiejaar meeging met halfbroer Maurits naar de belegering van Geertruidenberg. De rol voor de negenjarige kolonel was vooral ceremonieel, maar zes jaar later was hij ook bij het beleg van de Keulse vesting Rijnberk.


In 1600 mocht hij aanwezig zijn bij de slag bij Nieuwpoort, al diende hij voor zijn veiligheid dicht bij aanvoerder Maurits te blijven. In 1603 werd Frederik Hendrik generaal der ruiterij. Hierdoor ging hij deelnemen aan kleinere gevechten, onder andere aan de Duitse grens, maar in 1609 kwam aan de strijd met Spanje tijdelijk een eind door het Twaalfjarig Bestand.

 

Na de dood van Maurits
Toen zijn halfbroer Maurits in 1625 stierf, benoemden de Staten-Generaal Frederik Hendrik tot kapitein-generaal van het staatse leger en admiraal-generaal van de vloot en hetzelfde jaar werd hij stadhouder. Tijdens het bestand had het hoogoplopende politiek-religieuze tussen de strenggelovige gereformeerden en de ‘rekkelijke’ remonstranten het land op de rand van een burgeroorlog gebracht. Terwijl Maurits de kwestie had aangegrepen om zich te ontdoen van de belangrijke politicus Johan van Oldenbarnevelt, had Frederik Hendrik zich afzijdig gehouden. Door zijn gematigde positie droeg hij bij aan de rust in de jonge Republiek.

 

Naar de ‘Moerasdraak’
Als aanvoerder wist Frederik Hendrik in 1627 de belangrijke vestingstad Groenlo op de Spanjaarden te veroveren en zo het oosten van de Republiek veilig te stellen. De situatie bleef eerst nog precair, doordat Oostenrijks-Habsburgse troepen in 1628 de Denen hadden verslagen tijdens de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) in het Heilige Roomse Rijk. Het leek er nu op dat ze samen met de Spaanse Habsburgers de Republiek zouden aanvallen. De Mantuaanse Successieoorlog in Italië vereiste echter Spaans ingrijpen en tegelijkertijd kaapte Piet Hein de Zilvervloot; de opbrengst ging naar Den Haag in plaats van de Spaanse oorlogskas.
Nu lagen er kansen voor de Republiek en Frederik Hendrik verzilverde die meteen. Niet met een veldslag, want die waren er hoe dan ook weinig in de Tachtigjarige Oorlog, dat was veel te riskant; na Nieuwpoort zou Frederik Hendrik er zelfs nooit meer een uitvechten. Wat hij wel deed , was in 1629 ’s-Hertogenbosch belegeren. De stad stond bekend als 'Moerasdraak', omdat het vlak buiten de muren zeer drassig was. Een succesvolle belegering van de bezuiden de grote rivieren gelegen stad zou de ‘tuin sluiten’ van de Republiek en een aanval op de nog zuidelijker gelegen Spaanse gebieden mogelijk maken.

 

Eerst omsingelen
De pas aangelegde vesting van ’s-Hertogenbosch was, net als bij veel andere 17de-eeuwse vestingsteden, een combinatie van driehoekige bastions van laag aardewerk die elkaar vanuit elke hoek afdekten. Zo’n modern sterrenfort (trace italienne) was beter bestand tegen kanonnen en andere buskruitwapens dan de middeleeuwse muren.


Als eerste moesten de staatse belegeraars de stad omsluiten. Daartoe legden ze schansen (fortificaties) aan en verbonden die door een dubbele linie van wallen, waarbij soms een dubbele gracht, een tweevoudige borstwering of onderwater gezet land extra defensieve kracht bood. Op 30 april begonnen ze met graven en pas na tien dagen waren ze klaar; de omlooptijd te voet bedroeg elf uur. De omsingeling was ook bedoeld tegen een eventueel vijandelijk ontzettingsleger. De Spanjaarden stuurden dit wel, maar inderdaad tevergeefs.


Verder liet Frederik Hendrik vanaf vijf kanten zigzaggend loopgraven (approches) graven, waarin de belegeraars relatief veilig zouden zijn voor geschut vanuit de stad. Vanuit hier bestookten de staatsen Den Bosch met de 116 kanonnen die de prins had meegebracht en trachtten mineurs de verdedigingswerken van onder de grond op te blazen. Het duurde tot 9 september voor een bres in een van de poorten was geslagen en op 14 september gaf de stad zich over.

 

 

belegeraars Den Bosch

De belegeraars van Den Bosch bouwen in 1629 met takkenbossen de schansen op (ca. 1629-1639 door Pieter de Neyn, detail). In de verte is de stad te zien (Rijksmuseum Amsterdam).

 

Het perspectief van de gewone soldaat
Hoe beleefden de soldaten, zoals die nu bij Den Bosch zijn opgegraven, de belegering? Vaststaat dat het leven in het leger vaak erg zwaar was. Soldaten dienden zelf hout te zoeken en te roven uit de omgeving voor hun onderkomen en de defensiewerken die zij tijdens belegeringen moesten bouwen. Hun brood en drinken moesten ze van hun eigen soldij aanschaffen. Door schaarste tijdens belegeringen waren de kosten daarvan vaak zeer hoog.

 

Graafwerk
Soldaten werden in principe alleen betaald voor gevechten in het open veld en voor het graven van approches tot 55 meter van de verdedigingswerken: de afstand waarop musketschoten daadwerkelijk gevaarlijk werden. Al het graafwerk daarna diende extra betaald te worden; vaak deden boeren of burgers uit de omgeving het in plaats van de soldaten. Aanvoerder Maurits foeterde er in 1622 al over: ‘Onze soldaten [zijn] noch willig noch gewoon […] te wercken sonder te hebben prompte betaelingen.’ Ziekten en dood waren nooit ver weg in de legerkampen met hun slechte hygiëne en beschietingen van beide kanten. Zo regelde soldaat Steven Nolis volgens een notitie van zijn meerdere alvast een uitbetaling aan zijn vrouw, omdat hij niet wist of hij bij ‘avonturen door synen vyant off elders soude mogen verongeluckt worden ofte doot blyven’. De soldaten waardeerden het dan ook dat Frederik Hendrik regelmatig in de approches aanwezig was en het gevaar deelde met zijn soldaten.

 

Stedendwinger?

De inname van Den Bosch leverde de bejubelde Frederik Hendrik al snel de bijnaam ‘Stedendwinger’ op. Zou hij de hooggespannen verwachtingen waar kunnen maken? Veilig was de Republiek in ieder geval nog niet: de Spanjaarden vielen samen met de keizerlijke Habsburgers vanuit het zuidoosten binnen. Ze moesten zich echter terugtrekken nadat een staatse kolonel met 2500 man de stad Wezel innam en de logistieke lijnen van de aanvallers afsneed. Frederik Hendrik kon doorgaan met zijn zegetocht en nam in 1633 na kortstondige succesvolle belegeringen van Venlo en Roermond ook Maastricht in. Een tot ontploffing gebrachte mijn onder de hoofdwal deed zijn werk.

 

Op naar het zuiden 

De prins kon nu Brabant en Vlaanderen aanvallen, ‘het hert van de principaelste provinciën’ van de vijand, zo werd genoteerd tijdens een geheime bespreking van de Staten-Generaal. Dit gebeurde in 1635, samen met Franse troepen. Het idee was dat ze het gebied zouden bezetten en onderling verdelen.


Deze eerste gezamenlijke veldtocht liep uit op een mislukking en Frederik Hendrik keerde onverrichterzake terug naar de Republiek. Ook het succes van de volgende campagnes bleef wisselend: het lukte Frederik Hendrik niet om het kapersbolwerk Duinerken in te nemen, maar Breda heroverde hij wel. Elders brokkelden zijn successen echter af: de Spanjaarden hadden Venlo en Roermond weer ingenomen en Maastricht afgesneden. De belegeringen in de Zuidelijke Nederlanden, die Frederik Hendrik samen met de Fransen ondernam, verliepen evenmin naar wens. Eigenlijk had Stedendwinger Frederik Hendrik na Breda in 1636 geen enkele noemenswaardige stad meer ingenomen. Hij stierf in 1647. Het jaar erop werd de Vrede van Münster gesloten en was de Tachtigjarige Oorlog eindelijk voorbij.

 


Mike Harmsen is militair historicus.

 

afbeelding Frederik Hendrik en zijn neef graaf ERnst Casimir bekijken van een afstandje het beleg van 's-Hertogenbosch, 1629. De prins wijst met zijn commandostaf naar de beschietingen op de stad en het staatse tentenkamp (ca. 1629-ca. 1635, door Pauwels van Hillegaert, Rijksmuseum Amsterdam).

 

Dit artikel is een verkorte bewerking van een artikel uit het januari/februari-nummer van Geschiedenis Magazine. Nu nog in de winkel!

 

Aanmelden nieuwsbrief