100 jaar einde WO I: Terug naar de Somme

 

I begraafplaats

 

 

Op 11 november is het honderd jaar geleden dat de strijdende partijen de gevechten beëindigden. Maar wat kunnen wij ons nog voorstellen bij de Eerste Wereldoorlog? Ankie Lok ging naar Noord-Frankrijk en onderzocht hoe dichtbij ze nog kon komen: een verkenning aan de hand van het landschap van de Somme en een brief van schrijver en soldaat Robert Graves.

 

 

Alleen de wind is te horen, en geblaf in de verte. De steengroeve is kleiner dan ik dacht; misschien is een deel ervan verdwenen in de afgelopen eeuw. De grijze kalksteen ligt onder een slordige grasmat.
Ik ben naar het Noord-Franse dorp Bazentin-le-Petit gekomen op zoek naar een specifiek moment uit de Eerste Wereldoorlog. Wat, of wie, kan me helpen met zo’n grote sprong? Houvast heb ik in het landschap en in een auteur: op deze plek, in deze steengroeve, werd tijdens de slag aan de Somme de Britse schrijver Robert Graves eerste hulp verleend. Met de grond waarop die heeft gelegen en met de woorden die hij daar later over heeft geschreven, probeer ik toegang te krijgen tot gebeurtenissen die zich in meerdere opzichten op een breukvlak in de geschiedenis afspeelden.

 

Hier stonden tijdens de Eerste Wereldoorlog ambulances van het Britse leger. In 1916 lagen Groot-Brittannië en Frankrijk al bijna twee jaar tegenover Duitsland in de loopgraven. De geallieerden lanceerden een groot offensief dat de patstelling moest doorbreken, in het gebied bij de rivier de Somme. Zo’n anderhalf miljoen granaten vuurden de Britten en Fransen in een week tijd op de Duitse linies af. Daarna begon de aanval, op 1 juli. Honderdtwintigduizend soldaten gingen ‘over the top’, bijna de helft van hen zou het einde van de dag niet halen. De dramatische opening en de luttele meters die de frontlinie uiteindelijk opschoof, maakten de slag aan de Somme tot een Brits trauma.

 

Overspannen zenuwen
‘De Somme betekende voor de Britten het definitieve einde van een tijdperk van blakend optimisme,’ schrijft John Keegan daarover. Zo vormde de slag een breuk in de geschiedenis: ‘Somme’ is een woord met meer dan een geografische en militair-historische betekenis. Wie ‘Somme’ zegt, roept tegelijk collectieve en persoonlijke herinneringen en associaties op. De Somme heeft zijn sporen van mislukking, verdriet, wroeging, uithoudingsvermogen en overspannen zenuwen nagelaten in de geschiedschrijving en politiek, maar ook in families. Elk jaar nog reizen die rond 1 juli naar de slagvelden in Noord-Frankrijk om kransen van zijden klaprozen op het graf te leggen van een grootvader, een overgrootvader, een oudoom. Collectief herdenken ze persoonlijk verdriet.

 

III graf

Een graf op Flatiron Copse Cemetery, Mametz, Frankrijk (alle foto's door Ankie Lok).

 

Duister toerisme

Ik heb zelf geen voorvaderen met een witte grafsteen. Wat trekt mij dan toch naar die slagvelden? Het is vast, zoals voor zovelen, de combinatie van het duistere en het pure van de plek. Duistere momenten vermengd met de schoonheid die uit die duisternis is voortgekomen als literatuur. Het reizen naar en uitbaten van zulke beladen plekken werd in de jaren negentig door Lennon en Foley dark tourism genoemd: duister toerisme. Hun definitie richt zich op de twintigste eeuw, waarbij het postmodernisme dit specifieke toeristische fenomeen faciliteert. Hun casussen strekken zich uit van Auschwitz tot Pearl Harbour en van Dealey Plaza in Dallas, Texas, waar John F. Kennedy is vermoord, tot, inderdaad, de slagvelden in Noord-Frankrijk, zoals Verdun en de Somme.

 

Ik ben een toerist, vertellen Lennon en Foley mij, en ze doen een beroep op de beheerders van deze plekken maar ook op mijzelf als toerist om goede smaak zwaarder te laten wegen dan economisch gewin. In De Grote Oorlog bespreken cabaretier Diederik van Vleuten en pianist Ivo Janssen het Ossuarium van Douaumont, het knekelhuis bij Verdun waar zich de ongeïdentificeerde resten bevinden van zo’n honderddertigduizend gesneuvelde Duitse en Franse soldaten. Het Ossuarium heeft een museumwinkel, waar koelkastmagneten en mokken worden verkocht. Het Ossuarium ontlokt bij de bezoekers hoofdschuddende verwondering over alle schedels en beenderen die zo gebroederlijk bij elkaar liggen, door elkaar heen, gesneuveld in een strijd die haaks stond op deze uitkomst. De loopgravenoorlog zien we nu als iets onbegrijpelijks, iets absurds, een waanzin die mensenlevens verslond en waardoor we hopelijk nooit meer bevangen zullen worden. We weten inmiddels toch wel beter? Tegelijkertijd, met het betreden van de museumwinkel, neem je als bezoeker deel aan een nieuw, eigentijds absurdisme. Het is goed om daarbij stil te staan.

 

herdenkingskermis

Toeristenwinkel in Thiepval, Frankrijk.

 

‘Dit is een begraafplaats’
Als slagveldreiziger, als zwarte toerist, betast je zo voortdurend grensvlakken. Je bevoelt de lijn tussen de gebeurtenis en het overblijfsel, tussen het landschap van nu en dat van het verleden, maar ook bij jezelf, de grens tussen wat je doet en waartoe morele overwegingen je aansporen.
Zo schrok ik van mijn eigen verbazing over de constatering van een vriendin met wie ik door Devil’s Wood wandelde, waar Zuid-Afrikaanse troepen zwaar hebben gevochten tegen de Duitsers: ‘Dit is een begraafplaats.’ Tot deze opmerking zag ik het bos vooral als een mooi bos, als een van de vele symbolen van de Somme, en als een figurant in de gedichten van Siegfried Sassoon die ik ter plekke voordroeg en waarin negentiende-eeuwse taferelen van jeugd, jacht en verlangen met de oorlog vermengd raken:

 

‘If I were there we’d snowball Death with skulls / Or ride away to hunt in Devil’s Wood / With ghosts of puppies that we walked of old’.

 

Met het anders benoemen van de plek, door het precies als datgene te benoemen wat het werkelijk nog is, veranderde Devil’s Wood van betekenis. En dat beïnvloedde ook onze manier van voortbewegen door het bos. Van natuurminnende wandelaars werden we ineens een plechtige, zelfbewuste stoet, met devotie in onze gebaren en onze voetstappen.

 

'Confrontatie'

Het front van de Eerste Wereldoorlog ligt in Nord-Pas-de-Calais-Picardie, zoals de samengevoegde regio sinds kort heet. Het is een agrarisch gebied, waar het verkeer op regionale wegen af en toe in het kielzog van een convoi agricole belandt. Vanaf de steengroeve bij Bazentin-le-Petit loopt een pad het dorp uit, tussen de velden door vanwaar je uitzicht hebt op High Wood en Devil’s Wood. Het zijn geen uitgestrekte bossen, maar een verzameling dicht opeengepakte bomen met een scherpe begrenzing, als een kudde.

 

Zijn deze bossen honderd jaar later nog dezelfde? Ja en nee. Ze staan er nog steeds, op dezelfde plek, maar bestaan niet meer uit dezelfde bomen. Het artillerievuur en de gevechten hebben dit landschap in de Eerste Wereldoorlog met de grond gelijkgemaakt. De huidige bomen hebben zich gevoed met de omgewoelde grond, en ja, ook met de lijken van Duitse en Britse soldaten.

 

Op het pad dat tussen de velden naar High Wood slingert, ervaar ik wat fotograaf Aled Rhys Hughes de ‘confrontatie’ noemt. Zijn foto’s van een ander Somme-bos, Mametz Wood, laten zien hoe de 38th (Welsh) Division van het Britse leger in 1916 het bos tegemoet moet zijn getreden. Het bos staat als een donkergroene muur achter het graan. Dat je als toeschouwer van een eeuw later weet welke ijzingwekkende taferelen het binnenste ervan hebben beheerst – het spervuur, de gewonden, lijken, het bloed –, maakt het bos onheilspellend. Terwijl Hughes Mametz Wood betrad om zijn foto’s te maken, laat ik me voor High Wood tegenhouden door staaldraad. Beide bossen zijn tegenwoordig privébezit, verboden voor onbevoegden. Het bos houdt zijn geschiedenis voor zichzelf en voor de vogels, voor de groene spechten die hier soms voorbijvliegen met hun lachende roep, op een afstandje, onzichtbaar.

 

mametzwood

Mametz Wood, Frankrijk.

 

Brief van Robert Graves
Schrijver Robert Graves maakte het gevecht bij High Wood niet eens van dichtbij mee: op 20 juli 1916 maakten granaatscherven een einde aan zijn deelname aan de aanval, nog voordat die goed en wel was begonnen. Hij werd naar een hulppost gebracht die zich in de steengroeve bevond, en van daaruit naar een verbandpost bij Mametz Wood. Zo slecht was hij eraan toe dat zijn naam op de lijst met gesneuvelden belandde, maar Graves overleefde wonderwel en werd via Rouen naar Engeland overgebracht. Aan zijn vriend Sassoon, die hij aan het front had leren kennen en met wie hij plannen maakte om na de oorlog een reis te maken naar de Kaukasus, schreef hij begin augustus in een brief:

 

‘Best of luck, and remember the man who cried out to the red-bearded hangman: ‘Non, tu ne me [sic] pourras pas tuer’: don't succumb, however many and wise doctors give you up. Memento Caucasorum!’

 

‘Houd je taai, en denk aan de man die uitriep tegen de beul met de rode baard: ‘Nee, je zult me niet kunnen doden’: bezwijk niet, hoeveel wijze dokters je ook opgeven. Memento Caucasorum!’

 

Wat doet Graves in deze brief dat het verleden zo tastbaar wordt? Hij overstijgt zijn eigen leven, dat eindigde, en toch niet, in het hart van de slag aan de Somme. Na een (incorrect) citaat uit een gedicht van Nietzsche, waarmee Graves zichzelf al eerder moed had ingepraat, gebruikt hij de reisplannen met Sassoon om op de tijdelijkheid van de loopgravenoorlog te wijzen. Oftewel: een toekomstvisioen mag de strijd aangaan met de dreigende dood. Verwijzend naar het aloude memento mori, buigt hij die uitdrukking om en roept hij juist op om vooral (door) te leven.

 

Voor altijd 21

De vriendschap tussen de auteurs zou geen lang leven beschoren zijn. Na de oorlog volgt een decennium van verwerking en vervreemding. Eind jaren twintig, na de publicatie van hun memoires over de Somme, zijn de auteurs zo ver uit elkaar gedreven dat ze de vriendschap bitter beëindigen. Hun hele leven zullen ze de slagvelden niet ontstijgen: Sassoon kijkt achterom, de negentiende eeuw in, naar de sociale orde waar de Eerste Wereldoorlog voorgoed een einde aan maakte, terwijl Graves een heel eigen wereld schept met muzen als spirituele basis, met Griekse mythen en I, Claudius.
Een P.S. onder de brief die hij kort na zijn verwonding aan Sassoon schreef, is hier veelzeggend. Graves meldde daarin: ‘By the way, I died on my 21st birthday. I can never grow up now.’ Waar Sassoon de geesten van zijn puppy’s laat rennen door Devil’s Wood, blijft Graves voor altijd 21.

 

Zoals Sam Jordison in een artikel over Sassoon in The Guardian betoogt: het zijn de dichters die zelf helemaal niet in de Eerste Wereldoorlog hebben gevochten die de literatuur zouden vernieuwen, zoals T.S. Eliot en Ezra Pound. De oorlog blijkt weliswaar een stuwende kracht voor het modernisme, een voorwaarde, maar geen schepper op zichzelf. Wie het van dichtbij meemaakte, bleef steken in de groeven van de geschiedenis.

 

Langs High Wood loopt de weg richting Devil’s Wood terug naar Bazentin-le-Petit. Hoe dichtbij 1916 valt hier een eeuw later nog te komen? Over de schaduwen op de foto’s van Mametz Wood die Hughes maakte, schrijft Jeremy Hooker dat ze herinneringen oproepen, maar ons ook belemmeren om helder te zien, om precies te weten waarnaar we kijken. En met die constatering kan ik voorzichtig mijn vraag beantwoorden: we hebben in landschap en woorden een afgietsel in onze handen en onder onze voeten. En soms, heel even, stap je in zo’n ‘schaduw’ en verdwijn je even in het verleden. Dat is wat er gebeurt wanneer je een bos als natuur ziet en tegelijkertijd als begraafplaats, of wanneer je in een talige parodie op een zegswijze met de schrijver meespringt, over het drama heen. Dit samenvallen is misschien wel de essentie van de zoektocht van de ‘dark tourist’.

 

 


Robert Graves (1895-1985) publiceerde twee versies van zijn oorlogsmemoires Goodbye to all that. De editie uit 1929 schokte bevriende auteurs, onder wie Siegfried Sassoon, en verscheen daarom al snel in een aangepaste publicatie. Jaren later herschreef hij het boek grondig; deze versie is in het Nederlands vertaald als Dat hebben we gehad (Ambo Anthos). Vooral bekend werd Graves met I, Claudius (1934) en Claudius the God (1935), romans die de BBC in de jaren zeventig bewerkte tot een televisieserie.

 

Siegfried Sassoon (1886-1967) schreef gedichten over de Eerste Wereldoorlog, die nog altijd veel worden gelezen. In het voorlaatste oorlogsjaar publiceerde hij A Soldier’s Declaration, een aanklacht tegen de manier waarop de oorlog werd gevoerd. Sassoon verbleef daarna in Craiglockhart, een militair hospitaal in Edinburgh voor getraumatiseerde soldaten. Hij verwerkte zijn frontervaringen in een trilogie: Memoirs of a Fox-Hunting Man (1928), Memoirs of an Infantry Officer (1930) en Sherston’s Progress (1936). De eerste twee delen zijn in een Nederlandse vertaling beschikbaar (Uitgeverij IJzer).

 

Ankie Lok is journalist en werkt als eindredacteur bij Didactief, een vakblad voor het onderwijs. Ze publiceert regelmatig, onder meer op haar website noorderschrift.nl

 

afbeelding Delville Wood Cemetery. 

Aanmelden nieuwsbrief