Prinsjesdag: maar waar zijn die prinsjes?

Gouden koets

 

Het is weer de derde dinsdag van september: de koning houdt een troonrede, wordt toegejuicht, er zijn hoedjes, een balkon, een koets en een koffertje. Het is Prinsjesdag. Maar waarom heet dat eigenlijk zo? Vieren we niet veeleer de democratie dan het koningshuis? En bovendien: totdat Willem-Alexander in 2013 de troon besteeg werd de Nederlandse monarchie toch al ruim een eeuw gedomineerd door prinsessen en koninginnen?

 

Op het eerste gezicht verloopt Prinsjesdag al ruim twee eeuwen hetzelfde. Om een uur ’s middags vertrekt de koning met zijn gevolg van Paleis Noordeinde naar de Ridderzaal, onderweg wordt hij bejubeld door de Haagse bevolking. Ondertussen opent de voorzitter van de Eerste Kamer in de Ridderzaal de vergadering van de Staten-Generaal. Eenmaal aangekomen in de Ridderzaal spreekt de koning de troonrede uit, waarna hij weer vertrekt naar het paleis voor de balkonscène.

 

Sinds de grondwettelijke wijzingen van 1983 draait het feest van Prinsjesdag om de troonrede en het aanbieden van de rijksbegroting (het koffertje) door de minister van Financiën aan de Tweede Kamer. Voor die tijd hoefde de koning in feite alleen de zitting van de Staten-Generaal te openen. Voor het ritueel van Prinsjesdag heeft deze wijziging echter weinig verschil gemaakt: daaraan is sinds 1815 weinig veranderd.

 

 

Feest van de monarchie of van de democratie?
De naam suggereert dat de derde dinsdag van september in de eerste plaats een viering van de monarchie is. En voor veel burgers klopt dat ook wel: het hoogtepunt van Prinsjesdag is voor hen toch de rijtoer of ‘staatsierit’ van de koning en zijn gevolg van het paleis naar de Ridderzaal. Het is ook de enige keer in het jaar dat de monarchie zich in vol ornaat met de nodige militaire erebegeleiding en saluutschoten, aan de bevolking toont.

 

Toch is Prinsjesdag volgens anderen bij uitstek het feest van de democratie. Het is immers de dag waarop de begroting en beleidsplannen ter beoordeling worden aangeboden aan de volksvertegenwoordiging. En het recht van de volksvertegenwoordiging om te beslissen over die begroting is een van de belangrijkste fundamenten van de democratie. Bovendien schrijft de koning die troonrede waarmee hij het parlement toespreekt niet zelf, dat doen de democratisch gekozen ministers. Ook voor de grondwetswijziging van 1983 was Prinsjesdag in zijn diepste wezen een democratisch feest: het ging immers om de opening van de vergadering van de Staten-Generaal na het jaarlijkse reces. De naam Prinsjesdag is dan ook misleidend. Temeer omdat het eigenlijk onze enige feestdag van de parlementaire democratie is.

 

Eerste Prinsjesdag met koningin Juliana als nieuwe vorstin. De Gouden Koets hie Bestanddeelnr 900-0149

Eerste Prinsjesdag met koningin Juliana als nieuwe vorstin in 1948 (Anefo [CC0], via Wikimedia Commons).

 

 

Wie geeft het feestje?
Hoogleraar parlementaire geschiedenis Carla van Baalen en onderzoeker Jan Ramakers lieten zien dat de rituele handelingen van Prinsjesdag al twee eeuwen doordrenkt zijn van deze spanning tussen monarchie en democratie. Zo ontstond er in al in 1869 beroering toen Willem III de troonrede opende met de woorden: ‘Het is Mij aangenaam de Vertegenwoordigers van het Nederlandsche Volk bij de opening dezer zitting welkom te heeten’. Want wie was er nou bij wie op bezoek? De koning kwam toch een vergadering van de Staten-Generaal bijwonen? In de eeuw die volgde, sudderde de spanning door. Kamerleden voelden zich begin 20ste eeuw geschoffeerd toen de hofhouding van koningin Wilhelmina ze opzij duwde. En vijftig jaar later speelde de kwestie nog steeds: want waarom stelde het hof dan het programma van Prinsjesdag vast, ze kwamen toch te gast? Ook de laatste jaren waren er nog parlementariërs die bijvoorbeeld vonden dat ze zelf mochten weten hoe ze gekleed gingen: het ging immers om een vergadering van hun eigen Kamers.

 

Tegelijkertijd zou het volgens anderen een miskenning zijn van de positie van de koning als staatshoofd, om hem gast te noemen in de Ridderzaal. Het is ook niet zo dat het Hof tegenwoordig geen enkele bemoeienis meer heeft met het ceremonieel in de ridderzaal; er vindt geregeld overleg plaats bijvoorbeeld over de zitplaatsen en de veiligheid van de Koninklijke familie.

 

Toch overheerst tegenwoordig het idee dat het Prinsjesdagprogramma in de Ridderzaal in de eerste plaats de verantwoordelijkheid is van het parlement, in de praktijk van de Eerste Kamer. Die verstuurt nu ook de uitnodigingen. Hoewel Prinsjesdag daarmee primair een feest van de democratie kan worden genoemd, en niet van de monarchie, is er weinig animo voor een naamsverandering. Het omdopen van de derde dinsdag van september tot ‘Parlementsdag’ zou een einde maken aan een belangrijke traditie. Volgens Van Baalen en Ramakers heeft de constitutionele monarchie het rituele vertoon van Prinsjesdag bovendien nodig. Hoewel de functie van de koning is ingebed in het democratisch bestel, moet ook het sacrale karakter van het koningschap soms worden benadrukt. Zodra de koning een burger wordt als ieder ander, verliest de monarchie toch haar bestaansrecht.

 

 

En waar zijn die prinsjes?
Als Prinsjesdag eigenlijk altijd al een democratisch feest was, waarom dan die prinsjes? Hiervoor moeten we terug naar de Republiek: in de 17de en 18de eeuw werd ‘Prinsjesdag’ gebruikt voor de viering van de verjaardagen van de Prinsen van Oranje. Zo was de verjaardag van de laatste stadhouder, Prins Willem V (1748-1806), vooral in Amsterdam aanleiding voor grote volksfeesten. Prinsjesdag was toen in feite vergelijkbaar met wat koningsdag nu is.

 

Toen Nederland in de 19de eeuw een monarchie werd en koningen kreeg in plaats van prinselijke stadhouders, bleef het woord Prinsjesdag in gebruik voor de de viering van de verjaardag van de vorst. De verjaardag van koning Willem I op 24 augustus vierde de bevolking precies zo als eerder die van zijn vader stadhouder Willem V. Het bleef Prinsjesdag. Daarnaast werden ook de termen Koningsfeest en Koningsverjaardag wel gebruikt.
Gedurende de negentiende eeuw kwam ‘Prinsjesdag’ geleidelijk verder los te staan van zijn letterlijke betekenis. Zo werd de term ook gebruikt voor de verjaardag van de echtgenote van de koning en zelfs voor de bruiloft van de broer van Willem III. Het begrip werd steeds ruimer: eind 19de eeuw kon elk feest waar (een lid van) de Oranjefamilie de hoofdrol speelde Prinsjesdag zijn.

 

Ook de dag waarop de Koning de zitting van de Staten-Generaal opende ging op een gegeven moment Prinsjesdag heten. Dat gebeurde in ieder geval al in 1878. Vanaf ongeveer 1900 kwam het gebruik steeds vaker voor en in de loop van de jaren 1930 was het gemeengoed geworden. Andersom raakte de term in onbruik voor de koninklijke verjaardagen. In 1901 werd nog wel naar de verjaardag van prins Hendrik op 19 april verwezen als Prinsjesdag, maar later zien we dat niet meer. De eeuw van de prinsessen was dan ook al aangebroken…

 

Deze tekst is gebaseerd op het artikel 'Prinsjesdag. 'De eenige politieke feestdag die ons volk kent'' door Carla van Baalen en Jan Ramakers, verschenen in: Jaarboek Parlementaire Geschiedenis 2008, pp. 27-45.

 

afbeelding De gouden koets in 2007 (foto door Tony, via Wikimedia Commons).

 

 

Aanmelden nieuwsbrief