Honderd jaar Openluchtmuseum

100 jaar openluchtmuseum - hollands landschap bijgesneden 2

 

Op 13 juli is het honderd jaar geleden dat het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem zijn poorten opende. Het is allang niet meer de verzamelplek voor typisch vaderlandse boerderijen en plattelandswoningen van de begintijd. Enkele jaren geleden sprak Geschiedenis Magazine met oud-directeur Pieter-Matthijs Gijsbers over de volksaard, de canon van de Nederlandse geschiedenis en een Turkenpension.

 

Volksgeest
Het museum ontstond een eeuw geleden. De stichters bouwden voort op theorieën van geleerden als de Duitse gebroeders Grimm over de ‘volksaard’ van een land. Zij gingen ervan uit dat elk volk een eigen karakter bezat dat op het platteland het best aanwijsbaar was, in de gewoonten, gebouwen en voorwerpen van de kleine luiden.

 

Zweeds voorbeeld
Omdat de industrialisering tijdens de 19de eeuw hier een eind aan dreigde te maken, rijpte bij volkskundigen het idee om de volksaard in een laagdrempelig museum zichtbaar te maken. Het vroegst gebeurde dit in het Zweedse Skansen, waar in 1891het eerste openluchtmuseum over het platteland werd geopend. Tientallen huizen en boerderijen kregen er een tweede leven. Andere landen volgden. Het Zweedse voorbeeld werd zo bekend dat het Tsjechische woord voor openluchtmuseum ‘skansen’ is.

 

Arnhem 1918
In Arnhem stichtten enkele particulieren in 1912 een vergelijkbaar museum, 6 jaar ging het museum open voor publiek. En met succes: het trekt nu jaarlijks meer dan een half miljoen bezoekers. Al is er na al die jaren toch wat veranderd: het oude idee om in één museum een staalkaart van het Nederlandse karakter te vangen, werd geleidelijk opgeborgen.

 

Nieuwe aanpak
Pieter-Matthijs Gijsbers, oud-directeur van het museum, vertelt over de nieuwe benadering: ‘Tegenwoordig weten we dat de zogenaamde volksaard niet zo eenduidig is of simpel te vatten valt. De identiteit bestaat uit veel elementen en lagen, die bovendien in de loop van de tijd durven te veranderen. Daar bouw je niet zomaar een museum rond. Onze aanpak is de voorbije decennia dan ook grondig geëvolueerd. Natuurlijk tonen we nog altijd een bloemlezing van de traditionele Nederlandse manier van leven en wonen, maar we willen meer brengen. Veel bezoekers komen nog steeds om de nostalgie, dat is niet gewijzigd, maar als openluchtmuseum trachten we verder te gaan. Tegenwoordig proberen we de bezoeker zowel te laten genieten en te dromen als hem te raken en te ontroeren, en te laten nadenken. Hij moet hier een veelheid van ervaringen opdoen.’

 

Stadsleven
De traditionele windmolens staan er natuurlijk nog altijd, maar nieuwere elementen horen evenzeer in het openluchtmuseum thuis. Gijsbers: ‘Begin deze eeuw werd besloten om in Arnhem ook het stadsleven aan bod te laten komen. Nederland en de wereld verstedelijken steeds meer, zodat we daarvoor onze ogen niet langer konden sluiten. Rond 2002 kregen we de kans een reeks panden uit de Westerstraat van Amsterdam over te brengen. Het ging om de laatste krotten uit de Jordaan. In de jaren tachtig en negentig werden in menige grote stad de krotwoningen afgebroken, ook in Amsterdam. Wij kregen de laatste exemplaren toegeschoven. Meteen rees de vraag hoe we de panden moesten heropbouwen: zoals ze ooit waren opgetrokken, of in de vervallen toestand die we hadden aangetroffen? We kozen voor de tweede optie omdat ook stedelijke krotten deel uitmaken van ons verleden.'

 

Migrantenpension
'Tijdens de laatste jaren van zijn bestaan', vervolgt Gijsbers, 'deed een van deze Jordaanpanden dienst als pension voor arme migranten, vooral Noord-Afrikanen. Ze sliepen er op stapelbedden. Omdat migraties al eeuwenlang een onderdeel vormen van de Nederlandse samenleving, besloten we ook dit weer te geven. Maar dat bleek eenvoudiger gezegd dan gedaan, want over het pension waren weinig gegevens beschikbaar. Enkele straten verder in de Jordaan lag echter een vergelijkbaar en goed gedocumenteerd Turkenpension. Dus hebben we dat interieur gekopieerd en het pand voor Afrikanen in een Turkenverblijf omgevormd.'

 

Niet authentiek
Gijsbers erkent dat het allemaal niet geheel “authentiek” is: 'Het pension in het museum bestaat nu uit een combinatie van verschillende elementen. Maar zoiets mag geen bezwaar zijn omdat zoiets op de een of andere manier altijd gebeurt: een museum toont nooit de 'echte' werkelijkheid maar blijft onvermijdelijk gekunsteld. Een museum kent geen authenticiteit. De persoonlijke ervaringen van jou en mij zijn authentiek, maar in een museum wordt het verleden geabstraheerd. Welbepaalde onderdelen krijgen aandacht terwijl andere worden genegeerd. In wezen is een museum niet veel meer dan een microkosmos of Wunderkammer, een vitrine waarin geselecteerde elementen uit het verleden worden getoond en uitvergroot.'

 

100 jaar openluchtmuseum - westerstraat 

Huizen uit de Amsterdamse Westerstraat in het Openluchtmuseum.

 

Emoties
'Misschien wekt ons Turkenpension net daardoor zo opmerkelijk veel emoties op, niet het minst bij de Turkse migranten zelf. Precies omdat we het verleden hebben verdicht, is het herkenbaar en lokt het reacties uit. Het verleden, de moed en het doorzettingsvermogen van Turkse migranten worden gepresenteerd als een zoveelste element binnen de Nederlandse samenleving. Al blijven we niet blind voor de negatieve aspecten van migraties maar tonen we evenzeer die kant van de medaille. Zo brengen we een getuigenis van een autochtone Rotterdammer, die klaagt dat hij zich door de nieuwkomers in zijn wijk steeds minder thuisvoelt.’

 

Canon van de Nederlandse geschiedenis
‘Een museum dat niet buiten zijn muren kijkt,’ stelt Gijsbers, ‘loopt het risico te verstikken. Daarom ben ik blij dat het Openluchtmuseum de canon van de Nederlandse geschiedenis uitbeeldt in 50 zogeheten vensters. De bezoeker krijgt zo een completer beeld van het Nederlandse verleden, met centraal daarin de mensen, hun verhalen, gewoontes, rituelen… Het is de bedoeling dat we binnen de Nederlandse geschiedenis een ordening aanbrengen, waardoor die een stuk helderder wordt.’

 

Lastige tijdvakken
Eenvoudig was het samenstellen van die canon nog niet. Gijsbers vertelt hoe ze steeds opnieuw moesten uitvissen hoe ze de canon aan het Openluchtmuseum konden koppelen: ‘Voor canonvensters omtrent bijvoorbeeld de Gouden Eeuw is dat niet zo’n probleem, want uit die periode bezit het museum genoeg panden en voorwerpen om als illustratie te kunnen gebruiken. Maar met bijvoorbeeld de hunebedden of de Bataven heeft het museum geen enkele tastbare binding. Die elementen illustreren is minder simpel. In zulke gevallen moet een digitaal of virtueel venster als het ware een poort naar dat tijdperk opengooien. Doel is steeds dat de bezoeker het verleden begrijpt en aanvoelt hoe waardevol het is om kennis over geschiedenis te bezitten. Zodat hij achteraf verder gaat speuren of op zijn minst over het verleden nadenkt.’

 

Jaknikker
Toch is het gelukt om sterke zichtbare aanknopingspunten te presenteren bij de canon. Gijsbers: ‘Zoals bijvoorbeeld een jaknikker, zo’n oliepomp met een balans die steeds op en neer gaat, bij het canonvenster over de gasbel en het energiebeleid. Als herinnering aan de Watersnoodramp heeft het museum een houten noodwoning uit Raamdonksveer. Binnen liggen artikelen die uit de hele wereld aan het rampgebied waren geschonken zoals flessen cognac, speelgoed, babykleertjes, brilmonturen en aardappels.’

 

 

 100 jaar openluchtmuseum - jaknikker rotterdam 1957

Jaknikker uit 1957 in het Openluchtmuseum.

 

Treinkaping als gezamenlijk erfgoed
Ook voor het canonvenster over de kolonisatie en dekolonisatie bezit het museum het nodige materiaal: ‘In 2003 hebben we een barak uit het Molukkenkamp Lage Mierde heropgebouwd. Die geeft ons de mogelijkheid het verhaal van de Molukken en hun bevolking tastbaar te vertellen, en bij uitbreiding van heel onze kolonisering. Met de problemen die erbij horen. We tonen daarover een video-interview met een treinkaper uit de jaren zeventig. Die man wil nog altijd vechten voor een eigen land, vertelt hij, al beseft hij dat dit doel allicht nooit zal worden bereikt.’

 

Opgenomen in de Nederlandse geschiedenis
De Molukse gemeenschap had zelf gevraagd om een barak uit Lage Mierde naar het museum te verplaatsen. Gijsbers vertelt: ‘Op de dag dat de interviews voor het eerst werden getoond, waren veel Molukkers aanwezig. Ze voelden het aan als een groot moment omdat eindelijk ook hun verhaal in hét museum over de Nederlandse geschiedenis werd opgenomen. Daarmee kreeg hun aandeel binnen de Nederlandse samenleving een officiële erkenning.
Na de openingsplechtigheid wilden ze zo snel mogelijk de presentatie bekijken. En ze herkenden zich erin: hun verhaal werd ongecensureerd maar in een context gebracht, met de goede en de slechte kanten. Tot onze verbazing begonnen ze spontaan te zingen: herinneringsliederen over de RMS, de Republik Maluku Selatan oftewel de Republiek der Zuid-Molukken, waarnaar ze blijven verlangen. Die liederen riepen hun verleden op en vormden tegelijkertijd een brok immaterieel erfgoed dat plotseling weer tot leven kwam.’

 

‘Shared history’
Jaren later maakt de barak volgens Gijsbers nog altijd indruk, ook op niet-Molukkers. ‘Iedereen is er geroerd, bekijkt alles grondig en houdt halt om te mijmeren. Vaak beginnen de bezoekers met elkaar te praten, herinneringen op te halen en te discussiëren. Mooi is dat. Kun je als museum meer verlangen dan dat je publiek spontaan een gesprek opstart over het verleden en over wie ze zijn? In deze barak is ons nationale verleden uitgegroeid tot een “shared history”, een geschiedenis die iedereen deelt en de mensen verbindt.’

 

Interview door Herman Clerinx.

 

Dit is een aangepaste versie van een artikel dat eerder verscheen in Geschiedenis Magazine.

 

Afbeelding: Een Hollands landschap in het Openluchtmuseum.

Aanmelden nieuwsbrief