Klimaatverandering: hoe reageerde men vroeger?

Kraker 1 Strenge winter te Antwerpen

 

We hebben een paar extreme maanden achter de rug. Februari en maart waren bijzonder koud, april en mei waren juist heel warm. Onze huidige klimaatsverandering wordt gekenmerkt door opwarming en meer en onregelmatiger neerslag. Schattingen over hoe warm en hoe nat het nog zal worden, lopen sterk uiteen. In plaats van naar de toekomst, kunnen we ook naar het verleden kijken. Hoe pasten mensen zich aan in perioden van klimaatsverandering, zoals tijdens de Middeleeuwse Warmteperiode en daaropvolgende Kleine IJstijd?

 

Adriaan M.J. de Kraker

 

Interglaciaal 

Het klimaat tijdens de laatste geologische periode (Kwartair) wordt afgewisseld door warmere (interglaciale) en koudere (glaciale) perioden. Hierbij gaat het om verschillen in temperatuur van vele graden, zodat ijskappen tot in Nederland kwamen. Onze tijd, het Holoceen, is een interglaciaal. Toch zijn er ook in dit Holoceen fluctuaties in het klimaat te onderscheiden. Dit is zelfs het geval tijdens de laatste duizend jaar. Alleen deze schommelingen bedragen hooguit een halve tot een graad Celsius. Niettemin kreeg de lichte opwarming tijdens de Middeleeuwen al snel de naam Middeleeuwse Warmteperiode en de afkoeling daarna werd Kleine IJstijd genoemd, een naam die direct verwijst naar de grote ijstijden, maar die op geen enkele wijze geleid heeft tot de terugkeer van de ijskappen in Nederland.

 

Boomringen en ijskappen

Verschillende disciplines houden zich met klimaatsonderzoek bezig. De reconstructie van het klimaat uit vroegere perioden is het domein van specialisten in onder meer boomringen, ijskappen, en sedimenten. Ook historici doen klimaatsonderzoek, waarbij directe of indirecte klimaatsinformatie uit het archiefmateriaal wordt gehaald. Deze zogeheten historische klimatologie richt zich op alle menselijke activiteiten die klimaats- of gewoon weersgerelateerd zijn. Enkele voorbeelden zijn stormen die schade aanrichten aan dijken en gebouwen, vorst die scheepvaart op kanalen en rivieren onmogelijk maakt, zware regenval die overstromingen veroorzaakt en droogte die tot mislukkingen van oogsten en ontberingen voor vee leidt. Als al deze informatie over een langere periode verzameld en methodologisch wordt verwerkt, kan een beeld van het klimaat worden verkregen en kunnen daarin eventuele veranderingen worden vastgesteld.

 

Middeleeuwse Warmteperiode

Hubert Lamb was een van de eerste onderzoekers die in de Middeleeuwen een warmere periode onderscheidde. Hij baseerde zich hierbij op uitlatingen van tijdgenoten en op de wijnbouw in Zuid-Engeland, die nadien onmogelijk werd. Gedurende die warmere periode werd het zelfs mogelijk kolonies te stichten op de zuidkust van Groenland.

Aanwijzingen voor druiventeelt in de lage landen zijn er eigenlijk alleen voor gebieden bezuiden de lijn Brussel-Maastricht. Zo zijn aanwijzingen voor druiventeelt op de zuidhelling van de Blandijnberg (Gent) en in de streek van Hoegaarden bij Luik, zelfs nog tot diep in de 16de eeuw. Het feit dat enkele Nederlandse steden een Wijngaardstraat hebben, is echter nog geen bewijs van wijnbouw aldaar. Zo wordt de Amsterdamse Wijngaardstraat in verband gebracht met de herberg met diezelfde naam (1430), terwijl elders wijngaard een meer bijbelse inhoud heeft, die eerder op kerkelijke en/of charitatieve instellingen wijst, zoals te Middelburg. Alleen de Wijngaardstraat te Antwerpen wordt geassocieerd met een wijngaard. Wijn kan ook in verband worden gebracht met peren, pruimen, kersen en andere ‘home-made drinks’ uit het verleden. Opgravingen van middeleeuwse sites hebben tot op heden geen systematisch aangelegde druivenstruiken aangetoond.

 

Niet op grote schaal 

Kennelijk was het tijdens de Middeleeuwen dan toch niet zo warm dat de druif in de Nederlanden op grote schaal kon worden verbouwd. Uit reconstructies van de temperatuur blijken er vanaf circa 985 tot 1120 wat decennia en jaren te zijn geweest die 0,2 tot 0,4 graden Celsius warmer waren dan het gemiddelde van de afgelopen halve eeuw. Ook rond 1230 was het korte tijd even wat warmer. Hiermee lijkt het bewijs geleverd dat enkele warme jaren nog geen aanleiding hebben gegeven tot grootschalige overschakeling naar bijvoorbeeld wijnbouw.

 

Kraker 3

De koude winters in de 16de en 17de eeuw zorgden ervoor dat ijs zich ophoopte in bochten van rivierdijken. Een gevolg hiervan was dat met de dooi rievieren soms enorme watermassa's ontstonden die tot overstromingen leidden. IJsophopingen in Ochten bij Nijmegen, januari 1789, ingekleurde ets van Roeland van Eijnden, Atlas van Stolk, Roterdam. 

 

Dik ijs tijdens de Kleine IJstijd

De periode die ergens in de loop van de 15de eeuw begint en rond 1860 eindigt, de Kleine IJstijd. ontleent zijn naam aan het feit dat de gemiddelde temperatuur zou zijn gedaald. Het is echter geen aaneengesloten lange koude periode geweest. Bovendien zijn de meningen over zowel het begin als het eind ervan verdeeld.

De winter van 1694-1695 was een van de vele extreem lange en koude winters. In Brugge begon deze winter eind december en duurde tot 8 maart en al die tijd was er volgens de rekeningen van de trekschuiten geen scheepvaart mogelijk op de vaarten naar Oostende en Gent. In december 1697 sloeg de kou opnieuw toe. Om de vaart tussen Brussel en Antwerpen open te houden, moesten volgens de trekvaartrekeningen aldaar drie dagen lang extra paarden ingezet worden voordat de gehele vaart met de ijsbreker ijsvrij was gemaakt. Ambtenaren gingen het werk van de ijsbreker op 23, 24 en 25 december met eigen ogen aanschouwen. De vorst kwam echter terug en pas op 6 februari 1698 werd het ijsbreken hervat, dat ook ditmaal drie dagen in beslag nam. Op de trekvaart tussen Amsterdam en Haarlem en verder naar Leiden ging het in die winter niet veel anders.

 

Geen werk

Het laatste decennium van de 17de eeuw wordt wel het koudste van de Kleine IJstijd genoemd, want er waren vijf zulke strenge winters. Ook de winters van 1565-1566, 1608-1609 en van 1739-1740 behoorden tot de strengste van de Kleine IJstijd. De kou trof vooral de armen, want zo hadden metselaars, delvers en dijkwerkers geen werk en daardoor ook geen inkomsten. Boeren verloren door strenge vorst hun koolzaadoogst en moesten hun akkers in het voorjaar met andere gewassen inzaaien. Voor rijkere mensen echter waren winters een feest. Ze trokken eropuit met hun arrenslee. De pronkzucht van de rijken op het ijs stond in schril contrast met de armoe van de minderbedeelden.

 

Schaatsen van dorp tot dorp 

Hoe vaker strenge winters voorkwamen, hoe beter men zich aanpaste. Zo informeerde een zekere Caescoopere (1650-1729), een olieslager, koopman en reder uit Koog aan de Zaan, zodra er maar een begin van vorst was of de jongens al over de sloten liepen. Volgens zijn dagboek zette de vorst op 11 januari 1666 in en kon men al op de 14de schaatsen en enkele dagen later ook op de bredere vaarten. Behalve voor zaken trok Caescoopere ook met hele gezelschappen van dorp tot dorp. Het was dus in Holland heel gewoon de schaatsen onder te binden om over diezelfde vaarten naar de bestemmingen te reizen waarvoor men anders de trekschuit nam.

 

Malariazomer

Tijdens de Kleine IJstijd waren er echter ook wat korte warmere perioden of gewoon warme zomers. Tijdens de zomer van 1669 droogden de sloten op, waardoor het vee geen drinken meer had. Om aan deze ellende, die al zes weken duurde, een einde te maken hield de bisschop enkele biddagen om regen af te smeken. De extreme hitte en droogte van juni 1689 te Zaandam was voor Caescoopere de eerste. In kustgebieden stond zo’n periode bekend als malariazomer. De symptomen manifesteerden zich veelal maanden later in verhoogde sterfte, vooral onder erg jonge kinderen. Droogte op stormachtige dagen leverde ook groot brandgevaar op. Zo werd bij de zoutketen te Biervliet, waaronder vuren werden gestookt, volgens de stadsrekening in de droge periode van maart 1451 extra gewaakt. Ook na 1720 waren er enkele warme zomers.

Tijdens de Kleine IJstijd was de temperatuur op het noordelijke halfrond 0,4 tot 0,6 graden Celsius lager dan die van de recente halve eeuw, waarbij het laatste kwart van de 16de en het laatste decennium van de 17de eeuw het koudst zijn geweest.

 

Kraker 4  Wateroverlast Limburg 1993 Watersnoodramp 9

Warm en nat, dat is de tendens van de huidige klimaatsverandering in Nederland. Wateroverlast, zoals op deze foto de overstroming in Limburg in 1993, is een blijvende en waarschijnlijk toenemende zorg. 

 

Storm en water

Een ander kenmerk van klimaatsverandering is de toename van weersextremen zoals meer neerslag, veelal gepaard gaand met meer stormactiviteit. Allereerst kwam wateroverlast voor aan het einde van een lange strenge winter. In het rivierengebied manifesteerde zich dit in ophopend ijs in bochten van rivierdijken. Daarna volgden enkele dagen dooi met veel smeltwater. Volgens de Lithse tol zette de dooi in 1616 op 14 maart in en kreeg de Maas zes dagen daarna bijna een week lang een enorme watermassa af te voeren. Nadat de scheepvaart al zes weken vanwege de vorst had stilgelegen, lag ze opnieuw zes dagen stil.

 

Donderbuien 

Het plots omslaan van het weer kon tot gevaarlijke donderbuien met windstoten leiden, zoals in juni 1782 boven het noordwesten van Noord-Brabant. De ontvanger van het Nassause domein bij Zevenbergen moest tot zijn leedwezen vaststellen dat veel veldgewassen voor meer dan tweederde waren vernield door de uit de lucht gekomen grote hagelstenen. Soms ging een donderbui vergezeld van gevaarlijke blikseminslag en hevige windstoten. Zo’n bui ontlaadde zich op 5 mei 1661 boven West-Vlaanderen. Volgens een dagboek uit die tijd (Stadsbibliotheek Kortrijk) werd in Handzame grote schade aangericht en werden vogels in de lucht en hazen in het veld door vallende hagelstenen ‘dootgeslaegen’. Het is zo’n typisch weersverschijnsel dat volledig past bij de zeer milde winter van 1660-1661 met veel regenbuien en wind. Het was een winter die in veel gebieden in Europa overlast bezorgde.

 

Tientallen dorpen overstroomd 

Een ander extreem dat samenhangt met neerslag, zijn de zware stormen en stormvloeden. Zo sloeg op Sint Felix Quaeden Saterdach 1530 een zware stormvloed toe in het zuidwesten van de Nederlanden. De storm viel samen met springtij. Op talloze plaatsen liepen de zeedijken over. In Reimerswaal liepen de zoutketen vol en ging een maandproductie zout verloren. Bij Hildernisse bij Bergen op Zoom verdwenen hoeven in de golven. Vee verdronk jammerlijk. Wat verder naar het westen overstroomden tientallen dorpen, waarvan de meeste nooit meer herbouwd werden. Duizenden hectaren akkerland zouden nooit meer geploegd worden. Na de ramp lagen veel boerenschuren als verbrijzeld brandhout in een hoek van de polder opgestuwd. Ook in 1509, 1511, 1532, 1522 en 1570 sloeg het onheil toe, waarmee de 16de eeuw als dé stormeeuw is gebrandmerkt. Niet elke stormvloed groeide langs de gehele Nederlandse kust tot algemene ramp uit. Zo teisterde de stormvloed van 1715 vooral het zuidwesten en de Kerstvloed van 1717 het Waddengebied.

 

Aanpassing aan het klimaat

Overzien we de klimaatsschommelingen van de laatste duizend jaar, dan is de Middeleeuwse Warmteperiode hooguit 0,2 tot 0,4 graden Celsius warmer geweest dan het gemiddelde van de afgelopen halve eeuw, terwijl de Kleine IJstijd 0,4 tot 0,6 graden kouder moet zijn geweest. Vergeleken met de huidige opwarming tussen circa 1860 en 2000 van 1,2 graden in Nederland en de verwachting dat dit deze eeuw kan oplopen tot een meervoud daarvan, leidt dit tot de conclusie dat de klimaatsschommelingen van het afgelopen millennium lang niet zo sterk waren als de opwarming van tegenwoordig. Wat ons te doen staat, is ons aanpassen en de nodige maatregelen treffen, waarbij het risicoloos plannen van activiteiten in gebieden die traditioneel voor waterberging in aanmerking kwamen, zeker tot het verleden dient te behoren.

 

Adriaan M.J. de Kraker is historisch geograaf, verbonden aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. 

 

Afbeelding Tijdens de Kleine Ijstijd was scheepvaartverkeer in Noord-Europese steden soms niet meer mogelijk, zoals hier in Antwerpen in een van de koude winters van de 17de eeuw. childerij van J. Peeters (1624-1677), Nationaal Scheepvaartmuseum Antwerpen.  

 

Dit artikel verscheen eerder in Geschiedenis Magazine en wordt u nu cadeau gedaan. De nieuwste artikelen op papier lezen? Neem een abonnement! 

Aanmelden nieuwsbrief