Weer naar de stembus!

JONGWeernaarStembus2

 

Directe verkiezingen voor volks- vertegenwoordigers bestaan in Nederland sinds 1848 en er is op dat vlak al heel wat veranderd. Het meest opvallend: we hebben nu algemeen kiesrecht. Maar dat is lang niet het enige. Ron de Jong zet 5 ontwikkelingen op een rij.

 

1. Districtenstelsel

Politieke partijen ontstonden pas rond 1870. Bij verkiezingen waren er dus geen kandidatenlijsten die door partijen waren opgesteld met personen die min of meer hetzelfde dachten, men stemde op mannen van wie het vaak onduidelijk was waar ze politiek stonden. De kiezer kon een willekeurige  naam op het stembiljet invullen. Wel bracht hij die stem uit in zijn eigen district. Tot 1917 was Nederland verdeeld in kiesdistricten die elk één of meerdere Kamerleden afvaardigden. Daarbij was er vaak wel een emotionele maar geen formele band tussen politicus en district.  Abraham Kuyper (ARP) en Pieter Jelles Troelstra (SDAP) bijvoorbeeld zaten gedurende hun carrière voor verschillende districten in de Kamer.

De Grondwet bepaalde dat een Kamerlid 45.000 inwoners vertegenwoordigde. Elk district bevatte dus 45.000 inwoners of een veelvoud daarvan. Doordat de bevolking groeide, moesten de grenzen van de kiesdistricten telkens worden herzien. Dit gaf aanleiding tot manipulaties om tegenstanders uit de Kamer te werken en politieke vrienden te bevoordelen. Deze praktijk werd kieswetgeografie genoemd. Wie zijn vingers aan de schaar had waarmee de districten werden geknipt, bepaalde voor een belangrijk deel hoe de Kamer werd samengesteld.

Om van de kieswetgeografie af te komen, werden in 1887 de grenzen van de kiesdistricten voor eens en altijd vastgesteld en werd tegelijk het aantal Kamerleden bepaald op 100. Dit leverde echter weer andere bezwaren op. Waar de bevolking snel groeide, was je stem minder waard dan in een district waar dit niet zo was. Zo telde in 1917 kiesdistrict Amsterdam IX 27.317 kiesgerechtigden en Amsterdam II slechts 4978, maar beide districten kozen elk wel één Kamerlid.

Met de Grondwetswijziging van 1917 werd het districtenstelsel vervangen door de evenredige vertegenwoordiging die we nu nog kennen, met als groot voordeel dat die de opvattingen van de kiezers zeer nauwkeurig weergeeft. Het percentage stemmen dat een partij behaalt, levert een nagenoeg gelijk percentage Kamerzetels op. 

 

2. Opkomstplicht

In 1917 werd behalve algemeen mannenkiesrecht ook de opkomstplicht ingevoerd, want om van de Kamer echt een spiegel van de kiezers te maken, moesten deze burgers allemaal naar de stembus. De regering legde zonder al te veel bedenkingen deze verplichting op omdat zij het kiesrecht vooral als een functie van de staat beschouwde: de staat had een goede volksvertegenwoordiging nodig en selecteerde in de 19de eeuw de kiezers. Wie voor een bepaald bedrag in de directe belastingen was aangeslagen, ontving het kiesrecht. Zo hoopte de staat kiezers te krijgen die belang hadden bij het in stand houden van de maatschappelijke orde en die voldoende ontwikkeld waren om een ‘goede’ keuze te maken. In 1917 werd dit vervangen door opkomstplicht; eerst alleen voor mannen en  in 1919 kregen ook vrouwen kiesrecht en moesten ze stemmen. In 1970 werd de opkomstplicht weer afgeschaft. Kiesrecht gold steeds meer als een mensenrecht waar je wel of niet gebruik van kunt maken.


Lezen over de andere 3 ontwikkelingen? (Bijvoorbeeld het recht om je stem in het geheim uit te brengen, een ontwikkeling die pas eind 19de eeuw ter sprake kwam.) Koop dan ons maart-nummer, nu in de winkel! 

 

*  Uw e-mailadres

*
  Voer de code in: