De rampzalige emigratie naar Brazilië, 1908-1909

4 Brazilie

 

In Rotterdam opent over een paar jaar een museum ter nagedachtenis aan landverhuizers: miljoenen mensen verlieten vanaf eind 19e eeuw Europa vanuit Rotterdam, op zoek naar een beter leven in de Nieuwe Wereld. Veel Nederlanders hoopten hun geluk te beproeven in het verre Zuid-Amerika. Maar de volksverhuizing van zo’n tweeduizend mensen naar Brazilië liep uit op een drama, zo schreef Willemien Schenkeveld eerder in Geschiedenis Magazine.

 

Emigranten museum

De betekenisvolle Fenixloods II op Katendrecht zal worden ingericht als permanente presentatie van de ervaring van migreren. De verbouwing van het historische havengebouw zal nog even duren. Naar verwachting opent het museum in 2023, waarna bezoekers de indringende sensatie van het landverhuizen van dichtbij kunnen beleven. Een voorbeeld van deze gewaarwording is het drama van 1908-1909, toen zelfs de Nederlandse overheid ingreep bij de massale migratie naar Brazilië.

 

‘Red mij voordat mijn hele gezin is gestorven!’

‘Ik heb hier binnen negen weken drie zoontjes van mij verloren, 1½ , 3 en 4½ jaar oud, toen werd ik zelf 2½ maand ziek, toen mijn vrouw 1½ maand ziek en is nu mijn eenigste dochter 3 weken ziek. Wij zitten hier zonder een docter dus verstoken van alle geneeskundige hulp. Red mij voordat mijn hele gezin is gestorven!’ Deze brief ontving de Nederlandse gezant in Rio de Janeiro in april 1910 van een wanhopige emigrant.

Aan het begin van de 20ste eeuw had Brazilië, sinds 1822 een onafhankelijke natie, een grote behoefte aan immigranten. Het land was begonnen met de ontginning van het binnenland. Spoorlijnen maakten de wouden, bergen en hoogvlakten bereikbaar en vanuit de overheid werden landbouwkolonies opgezet om de woeste grond in cultuur te brengen. Daarvoor waren mensen nodig en die werden in Europa geworven.

 

Zekere toekomst

Wie de sprong waagde, kon alle mogelijke steun verwachten, zo maakte de Braziliaanse overheid in 1908 bekend. Niet alleen werd de overtocht betaald, eenmaal ter plaatse konden de emigranten op een stuk reeds ontgonnen grond rekenen, met een kant en klaar huis erop. Ook kreeg men zaad, werktuigen en een halfjaar geldelijke ondersteuning om de periode voor de eerste oogst door te komen. Zo lag voor iedereen een toekomst als zelfstandig landbouwer in het verschiet. Alle beloften lagen punt voor punt vastgelegd in een brochure die de ‘Commissie voor de Propaganda en Economische Uitbreiding van Brazilië’ ook in Nederland liet verspreiden.

 

Weg, ver weg

In Alkmaar bereikte de aanlokkelijke brochure Trijntje Rens en Jan Ploeger. Zou dit voor hen een oplossing zijn? Het echtpaar zat na het faillissement van hun tuinderij annex groentenhandeltje in grote problemen. Nieuw werk was niet te vinden en ze voelden zich met de nek aangekeken. Uiteindelijk wilde Trijntje met haar man en drie kinderen ‘weg, ver weg, niet uitmakend waarheen’. Dat schreef ze in haar memoires, een schriftje dat nog altijd zorgvuldig door haar nakomelingen wordt bewaard. Overgrootmoeder Trijntje beleefde een dramatische tijd in Zuid-Amerika.

 

Havenarbeiders

Bij elkaar stapten in 1908 en 1909 zo’n tweeduizend Nederlanders op de boot. Lang niet iedereen kwam uit de landbouw. Ronselaars die namens Brazilië immigranten aanwierven, letten daar niet op. Zo was er een groep Rotterdamse havenarbeiders, die na de Spoorwegstaking van 1905 was ontslagen en, zoals een collega-emigrant later spotte, zelfs in staat waren ‘gekookte bonen te planten.’

 

De schrik

De overtocht vond plaats in een van de splinternieuwe schepen van de Koninklijke Hollandsche Lloyd, die vanuit Amsterdam een lijndienst op Zuid-Amerika was begonnen. Samen met veel Polen, Duitsers en een paar havens later ook Spanjaarden en Portugezen werden de Hollanders op vrij comfortabele wijze naar Zuid-Amerika gebracht.

Vanuit Rio de Janeiro werden ze per trein het binnenland in gebracht. Daarna volgde dikwijls nog een lange rit met paard en wagen door het oerwoud. ‘Wij keken alle kanten heen, om toch maar goed te zien hoe alles eruit zag’, schrijft Trijntje Rens. En de schrik sloeg haar om het hart. ‘In de bosschen zagen wij, soms op verren afstand van elkander, hier en daar een treurige woning staan, de één van planken opgebouwd, de andere van klei en bamboestokken, weer andere van oude blikken opgetrokken.’

 

Landbouwkolonies

Ook de landbouwkolonies zelf bleken vaak van een grote treurigheid. Een enkele was wel al goed op gang gekomen, maar de meeste oorden waar de Nederlanders terechtkwamen, waren net van start gegaan. Midden in het oerwoud was een open plek uitgehakt, met een aantal simpele optrekjes voor een winkel, een kroeg en het koloniebestuur. Daaromheen lag een netwerk van kilometers lange weggetjes, die ver het oerwoud in leidden. Om de kilometer stond een primitieve blokhut waar ‘slangen en ander ontuig vrije toegang hebben’, zoals Trijntje Rens schreef.

 

1 Brazilie

Trijntje Rens en Jan Ploeger met hun kinderen Catharina en Hendrik. Na het faillissement van hun groentehandeltje wilde Trijntje met haar man en drie kinderen ‘weg, ver weg, niet uitmakend waarheen’.

 

Dramatische wending

Vaak nam het landbouwavontuur al snel een dramatische wending. Van geprepareerd land was meestal geen sprake. In plaats daarvan was er in de ene kolonie per vijf gezinnen een trekzaag beschikbaar om het land te ontbossen. En in de andere kolonie een stuk of wat trekossen, die de helft van het jaar ziek waren van de honger en de hitte. Had men uiteindelijk toch gezaaid en geplant, dan volgde weer een ramp. ‘Als de bamboe bloeit, komen de ratten’, wisten de Indianen. En na de ratten kwamen de wilde varkens, de mieren, de sprinkhanen.
Wist men toch iets van het land te halen, dan bleek daar zo ver van de bewoonde wereld geen behoorlijke prijs voor te krijgen. De enige aan wie men de oogst kon verkopen, was de plaatselijke winkelier, dezelfde man bij wie iedereen gedwongen was tegen woekerprijzen de dagelijkse benodigdheden te kopen.

 

Buikloop en zweren

Maar het ergste was nog de slechte gezondheidstoestand. De kolonisten werden de een na de ander bevangen door koortsen. ‘Dan nog daarbij kwam het vele ongedierte en de klimaatzweren, welke het meest aan de beenen voorkwamen, wat dan soms ten gevolge had dat zij dik en opgezet werden, wat het loopen soms zeer moeilijk maakten’, schrijft Trijntje Rens. En dat was nog niets vergeleken bij de gevolgen van ziekten als buikloop en tyfus. Meestal sloegen die al kort na aankomst van de kolonisten toe. ‘Toen we nauwelijks een dag of wat geïnstalleerd waren, begonnen we ons allen een voor een minder wel te gevoelen. Met ons en de twee oudste kinderen ging het nog. Maar de jongste werd in eens zoodanig ongesteld, dat wij het ergste vreesden: zware koortsen, braken enz. Dan weer wat beter ging het, dan weer wat slechter, dag in dag uit, totdat wij ten laatste zeer goed begrepen dat voor haar geen redding meer zou zijn, zoo zagen wij haar langzamerhand wegteren.’

Op 28 januari 1910 begroef Trijntje Rens haar twee jaar oude dochter Jannetje in het oerwoud, in een met hulp van haar buren zelf getimmerd kistje. In een andere kolonie, Goncalves Junior, waren binnen twee jaar al 97 mensen begraven. ‘Vrouwenkerkhof” noemden Nederlanders deze plek.

 

Ga niet meer naar Brazilië

Al snel drongen alarmerende berichten over de emigratie naar Brazilië door in het vaderland. Emigranten schreven naar huis en smeekten hun familie hen te helpen om terug te keren. Dergelijke brieven werden ook gepubliceerd in kranten als het Rotterdamsch Nieuwsblad en de Dordrechtse Courant. In de Staatscourant verscheen in 1910 bovendien een waarschuwing van de minister van Buitenlandse Zaken: ‘Aan iedereen, ook aan landbouwers, wordt sterk ontraden naar Brazilië te emigreren.’ De emigratie naar Brazilië nam dan ook snel af. Vanaf 1910 vertrokken nog geen driehonderd mensen per jaar en met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog droogde het emigratiestroompje naar Zuid-Amerika helemaal op.

 

Gouden bergen

Het was duidelijk: deze emigratie was Brazilië boven het hoofd gestegen. Dit was althans het oordeel van de Nederlandse gezant te Rio de Janeiro, G.D.Advocaat. ‘Zij gooien fluks eene immigratie-wet in elkaar, doen dan in Europa rondbazuinen welk een dorado Brazilië is en spiegelen den menschen gouden bergen voor.’ Achteraf was men er zelf ook niet gelukkig mee: de minister van Landbouw had in een gesprek toegegeven dat de immigratie uit de hand was gelopen en dat men door het aanbod van gratis passage te veel gelukzoekers zonder landbouwervaring of ondernemingszin naar Brazilië had gehaald.

 

Bonen en gedroogd vlees

Bovendien waren, zo bleek de gezant uit nader onderzoek, sommige landbouwkolonies werkelijk erg slecht georganiseerd. Aan de andere kant begon Advocaat ‘meer en meer over te hellen tot de overtuiging dat onze landgenooten over het algemeen niet het geeigende element voor dit land zijn’. Anders dan Zuid- en Oost-Europese emigranten, die straatarm en ‘gewend aan een kommervol bestaan’ naar Brazilië waren gekomen, konden de Nederlanders maar slecht wennen, ook door hun weerzin tegen de dagelijkse Braziliaanse kost: bonen en gedroogd vlees.


'Geef ons de zeereis vrij'

Hoewel Advocaat ook berichten ontving van landgenoten die wel hun draai hadden gevonden, kreeg hij veel meer tegenovergestelde berichten. De noodkreten zijn te vinden in het Nationaal Archief in Den Haag. ‘Wij zijn hier op het oogenblik met ongeveer 20 Hollandsche gezinnen die allen wanhoopen. Wat zal er van ons terecht komen als wij niet geholpen worden.’ En: ‘O mijnheer als U kunt geef ons de zeereis vrij. Hier zijn er al zoo veel die hun vrouwen moeten missen, en ook vrouwen hunnen mannen, en wij zijn nog zoo jong, en het klimaat is hier zoo slecht.’

 

Hollandsche Lloyd

In 1910 kreeg de gezant toestemming om de ongelukkigste landverhuizers te ondersteunen bij hun terugkeer. Uit zijn correspondentie met Den Haag blijkt dat uiteindelijk meer dan vijfhonderd mannen, vrouwen en kinderen op staatskosten met de Hollandsche Lloyd weer naar Amsterdam terugreisden. Ook Trijntje Rens en Jan Ploeger keerden terug, samen met de twee kinderen die nog leefden, en bleven tot hun overlijden in de jaren vijftig in Alkmaar wonen.

 

Batavo

Zij die bleven, bouwden toch op een of andere manier een bestaan op. Velen zochten hun heil in de steden, anderen trokken door naar Argentinië en weer anderen bleven toch in de landbouwkolonies, die na de eerste moeizame beginjaren vaak alsnog uitgroeiden tot succesvolle agrarische gemeenschappen. De kleinkinderen van deze volhouders wonen er soms nog: tachtigers met namen als Julio Barendrecht en Margarida van der Waal. Bovendien bracht het drama van 1908-1909 uiteindelijk nog iets moois voort: de stichting van de eerste succesvolle Nederlandse nederzetting, het tegenwoordige stadje Carambei.

In 1911 trokken vijf Nederlandse boeren weg uit het oerwoud van ‘vrouwenkerkhof’ Goncalves Junior. Een eind verderop, op de hoogvlakte van Carambei, begonnen ze melkvee te houden en toen dat goed bleek te gaan, haalden ze weer nieuwe Nederlanders naar zich toe. Nog altijd telt het stadje een bloeiende Nederlandse gemeenschap. En heel Brazilië kent de melk, toetjes en smoothies van het merk Batavo.

 

Willemien Schenkeveld is journalist en historicus. Ze publiceerde onder andere Het Kinderwetje van Van Houten. Sociale wetgeving in de negentiende eeuw, Hilversum, 2003. Zij dankt Mari Smits van het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis voor zijn hulp bij dit artikel.

 

Meer lezen over de komst van het museum ter nagedachtenis aan volksverhuizers in Rotterdam? Lees hier het nieuwsbericht van het NRC. 

 

Afbeelding: De familie Leendert en Jan Verschoor in 1910 op de landbouwkolonie Goncalves Junior. Nederlanders konden slecht wennen aan Brazilië. Het warme klimaat en het dagelijks eten (bonen en gedroogd vlees) lagen hen niet.

*  Uw e-mailadres

*
  Voer de code in: