Alan Lomax' zoektocht naar vergeten liedjes

Valk1

 

De Amerikaan Alan Lomax (1915-2002) jaagde in Amerika en Europa op authentieke volksmuziek. Zijn duizenden bandopnamen vormen een culturele schatkamer en inspireerden muzikanten als Bob Dylan en de Rolling Stones. Liedjes opnemen lijkt een onschuldige bezigheid, maar daar dacht de FBI anders over. Leendert van der Valk gaat in ons decembernummer terug naar de tijd dat folk nog staatsgevaarlijk was.

 

Trillen als een rietje

Terwijl hij zijn gitaar stemde, trilde Alan Lomax als een rietje. Niet alleen omdat hij zometeen in het Witte Huis twee cowboyliedjes moest gaan zingen voor president Franklin D. Roosevelt, zijn vrouw Eleanor en het Britse koningspaar. Ook omdat hij zojuist in de gangen een aantal keer tegen mannen was opgebotst die zich onhandig excuseerden en hem daarbij stiekem leken te fouilleren. Later bleek dat de FBI en de Britse Scotland Yard waren getipt dat Lomax op die zomeravond in 1939 mogelijk uit communistische sympathieën een aanslag zou willen plegen in het Witte Huis. Eleanor Roosevelt schreef in haar memoires dat de jongeman ‘ogenschijnlijk zo bang was dat hij nauwelijks kon zingen’. 

 

DNA van Amerika vastleggen

Dat Lomax nota bene ambtenaar was, werkzaam op de audio-afdeling van de nationale bibliotheek in Washington, maakte blijkbaar niet uit. Hij hield zich hier in de Library of Congress bezig met iets wat zeer verdacht was: het verzamelen en archiveren van volksmuziek. Dit deed hij uit liefde voor de vaderlandse muziek. Sterker nog, hij zou als geen ander het muzikale DNA van Amerika vastleggen, in duizenden liedjes die anders verloren waren gegaan. Maar dit alles weerhield de FBI er niet van om hem dertig jaar lang te schaduwen, want die liedjes over het gewone volk zouden wel eens communistische intenties kunnen hebben. Bovendien was de ‘bohemien’ Lomax bovenmatig geïnteresseerd in ‘negers’ en de ‘minder geprivilegieerde klassen’, zoals later in zijn dossier stond. Ook al uitermate verdacht. 

 

De man die de wereld wilde vangen

Alan Lomax stelde zich geheel zich in dienst van het vastleggen van volkscultuur. Hij was musicoloog, antropoloog, radio-dj, concertprogrammeur, filmmaker en een niet onverdienstelijk zanger die zichzelf op een gitaar begeleidde. Vooral was hij ‘songhunter’: hij trok decennialang door de Verenigde Staten met draagbare opnameapparatuur, op zoek naar vergeten liedjes. Dit begon al toen hij als tiener zijn vader, predikant en musicoloog John Lomax, hielp bij het opnemen van zingende cowboys in Texas en gevangenen die met opzwepende worksongs hun saaie zware dagtaak draaglijk hielden. Tijdens die excursies ging het de jonge Alan dagen dat de traditionele Amerikaanse muziek van het platteland terrein verloor tegen de uniforme radio- en jukeboxcultuur. Hij startte een race tegen de klok die zijn hele leven duurde: alles vastleggen voor het verdween. Eerst in de Verenigde Staten, later ook in de Cariben en Europa. Dat John Szwed zijn biografie van Lomax The Man Who Recorded The World noemde, is niet eens overdreven. Hij wilde inderdaad de wereld vangen. Als musicoloog voor universiteiten en bibliotheken zocht hij naar culturele verbanden in zang en dans tussen verschillende volkeren (zie kader). 

 

Beale Street, Memphis

In deze tijd was de belangstelling van deze witte man uit de middenklasse voor folkmuziek en blues ongewoon. Zwarten, arme witte plattelanders en stadsbewoners leefden ook muzikaal in gescheiden werelden. Juist die afwijkende interesse maakte Lomax verdacht voor de autoriteiten, evenals zijn al te losse omgang met zwarte Amerikanen. In 1942 kreeg hij het in Mississippi ingepeperd, toen hij in Beale Street in Memphis zomaar zwarte muzikanten aansprak en zwarte cafés binnenging. Agenten met getrokken pistolen verzochten hem dringend weg te blijven van die ‘niggers’: de wet schreef immers rassenscheiding voor. 

Lomax trok daarna de Mississippi Delta in, een streek met een bijna homogeen zwarte bevolking. Zij werkten veelal als loonarbeider op plantages, waar blanken eigenaar en opzichter waren. Lomax ging er op zoek naar muzikanten. Een opnamesessie met bluesmuzikant Son House - hij heeft nu een legendarische status - werd verstoord door de plantage-eigenaar. Hij stelde het ook al niet op prijs dat Lomax met ‘zijn niggers’ sprak. 

 

Hoe ging het verder met deze vastlegger van de volkscultuur? Lees het in ons decembernummer! En luister hier één van de liedjes die hij opnam met Son House: 


Op zoek naar vergeten liedjes

 

De Amerikaan Alan Lomax (1915-2002) jaagde in Amerika en Europa op authentieke volksmuziek. Zijn duizenden bandopnamen vormen een culturele schatkamer en inspireerden muzikanten als Bob Dylan en de Rolling Stones. Liedjes opnemen lijkt een onschuldige bezigheid, maar daar dacht de FBI anders over. Leendert van der Valk gaat terug naar de tijd dat folk nog staatsgevaarlijk was.

 

Terwijl hij zijn gitaar stemde, trilde Alan Lomax als een rietje. Niet alleen omdat hij zometeen in het Witte Huis twee cowboyliedjes moest gaan zingen voor president Franklin D. Roosevelt, zijn vrouw Eleanor en het Britse koningspaar. Ook omdat hij zojuist in de gangen een aantal keer tegen mannen was opgebotst die zich onhandig excuseerden en hem daarbij stiekem leken te fouilleren. Later bleek dat de FBI en de Britse Scotland Yard waren getipt dat Lomax op die zomeravond in 1939 mogelijk uit communistische sympathieën een aanslag zou willen plegen in het Witte Huis. Eleanor Roosevelt schreef in haar memoires dat de jongeman ‘ogenschijnlijk zo bang was dat hij nauwelijks kon zingen’.

Dat Lomax nota bene ambtenaar was, werkzaam op de audio-afdeling van de nationale bibliotheek in Washington, maakte blijkbaar niet uit. Hij hield zich hier in de Library of Congress bezig met iets wat zeer verdacht was: het verzamelen en archiveren van volksmuziek. Dit deed hij uit liefde voor de vaderlandse muziek. Sterker nog, hij zou als geen ander het muzikale DNA van Amerika vastleggen, in duizenden liedjes die anders verloren waren gegaan. Maar dit alles weerhield de FBI er niet van om hem dertig jaar lang te schaduwen, want die liedjes over het gewone volk zouden wel eens communistische intenties kunnen hebben. Bovendien was de ‘bohemien’ Lomax bovenmatig geïnteresseerd in ‘negers’ en de ‘minder geprivilegieerde klassen’, zoals later in zijn dossier stond. Ook al uitermate verdacht.

 

De man die de wereld wilde vangen

Alan Lomax stelde zich geheel zich in dienst van het vastleggen van volkscultuur. Hij was musicoloog, antropoloog, radio-dj, concertprogrammeur, filmmaker en een niet onverdienstelijk zanger die zichzelf op een gitaar begeleidde. Vooral was hij ‘songhunter’: hij trok decennialang door de Verenigde Staten met draagbare opnameapparatuur, op zoek naar vergeten liedjes. Dit begon al toen hij als tiener zijn vader, predikant en musicoloog John Lomax, hielp bij het opnemen van zingende cowboys in Texas en gevangenen die met opzwepende worksongs hun saaie zware dagtaak draaglijk hielden. Tijdens die excursies ging het de jonge Alan dagen dat de traditionele Amerikaanse muziek van het platteland terrein verloor tegen de uniforme radio- en jukeboxcultuur. Hij startte een race tegen de klok die zijn hele leven duurde: alles vastleggen voor het verdween. Eerst in de Verenigde Staten, later ook in de Cariben en Europa. Dat John Szwed zijn biografie van Lomax The Man Who Recorded The World noemde, is niet eens overdreven. Hij wilde inderdaad de wereld vangen. Als musicoloog voor universiteiten en bibliotheken zocht hij naar culturele verbanden in zang en dans tussen verschillende volkeren (zie kader).

 

Beale Street, Memphis

In deze tijd was de belangstelling van deze witte man uit de middenklasse voor folkmuziek en blues ongewoon. Zwarten, arme witte plattelanders en stadsbewoners leefden ook muzikaal in gescheiden werelden. Juist die afwijkende interesse maakte Lomax verdacht voor de autoriteiten, evenals zijn al te losse omgang met zwarte Amerikanen. In 1942 kreeg hij het in Mississippi ingepeperd, toen hij in Beale Street in Memphis zomaar zwarte muzikanten aansprak en zwarte cafés binnenging. Agenten met getrokken pistolen verzochten hem dringend weg te blijven van die ‘niggers’: de wet schreef immers rassenscheiding voor.

Lomax trok daarna de Mississippi Delta in, een streek met een bijna homogeen zwarte bevolking. Zij werkten veelal als loonarbeider op plantages, waar blanken eigenaar en opzichter waren. Lomax ging er op zoek naar muzikanten. Een opnamesessie met bluesmuzikant Son House - hij heeft nu een legendarische status - werd verstoord door de plantage-eigenaar. Hij stelde het ook al niet op prijs dat Lomax met ‘zijn niggers’ sprak. 

 

Nog een opmerking: aan het einde van het artikel in het magazine zijn een aantal woorden weggevallen. Hier de complete afsluiting: 

 

'Het liedje 'Po Lazarus' waarmee de gelauwerde film O Brother Where Art Thou (2000) van de Coen Brothers opent, is maar een van de vele op de soundtrack die Alan Lomax opnam. Beyoncé gebruikte fragmenten op Lemonade, het meest besproken album van 2016. Lomax’ nalatenschap leeft.' 

 

*  Uw e-mailadres

*
  Voer de code in: