Joods verzet

1 Braber

 

Iedereen kent het beeld: joden die zich in de oorlog melden voor deportatie. Het lijkt soms of zij zich in de oorlog als makke schapen naar de vernietigingskampen hebben laten afvoeren. De werkelijkheid was anders. Joden in Nederland hebben op allerlei manieren geprobeerd de vervolging tegen te werken.  

 

In de dustere volk'rennacht

Een ochtend in 1942. Een groep Amsterdamse joden maakt zich klaar voor transport naar een concentratiekamp. Een van hen, een jonge man, begint te zingen. Anderen vallen hem bij: ‘Morgenrood, Uw heilig gloeien/ heeft ons steeds de dag gebracht. / Breek dan door, o lichtvernieuwer/ in de duistre volk’rennacht.
Sam de Wolff beschreef dit voorval in Geschiedenis der Joden in Nederland. Laatste bedrijf (1946). Deze scène - joden die een religieus getint socialistisch strijdlied aanheffen om elkaar moed te geven - komt niet overeen met het stereotiepe beeld van joden die zich gedwee naar de slachtbank lieten voeren. Integendeel, het is een voorbeeld van verzet tegen de vervolging die de Duitse bezetters na de inval van mei 1940 waren begonnen. Eerst waren de joden uit overheidsdienst verwijderd. De registratie van joodse bedrijven en individuen volgde snel. Iets meer dan 140 000 joden werden geregistreerd. Ze kregen een j op hun persoonsbewijs. Het werd hun verboden openbare gelegenheden te bezoeken. Daarna vond afscheiding plaats in de rest van het maatschappelijke leven, culminerend in de uitsluiting van joodse leerlingen in het onderwijs. In mei 1942 verordonneerden de Duitsers dat joden een gele ster moesten dragen. Twee maanden later begon hun deportatie. Honderdduizend gedeporteerden uit Nederland werden vermoord.

 

Voortrekkers van gewapend verzet
Joden reageerden op tal van manieren - en niet uitsluitend als makke schapen, zoals het gangbare beeld suggereert. Ze getuigden van hun geloof of cultuur. Ze zongen. Ze lieten zich niet terroriseren. Ze vochten terug. Ze protesteerden. Ze schreven voor illegale bladen en hielpen die te verspreiden, vaak met groot risico voor eigen veiligheid. Ze onttrokken zich aan de deportatie. Ondanks de Duitse overmacht, de collaboratie en de onverschilligheid en het gebrek aan betrokkenheid die bij niet-joodse landgenoten overheersten, doken bijna 30 000 joden onder. Ze vormden organisaties om elkaar bij te staan. Ze hielpen opgepakte joden ontsnappen uit deportatietreinen en concentratiekampen. Ze probeerden de deportatie te ontregelen met brandbommen en aanslagen. Ze vormden of sloten zich aan bij niet-specifiek joodse verzetsgroepen, een relatief groot aantal deed dat in vergelijking met niet-joden. Joden behoorden ook tot de voortrekkers van gewapend verzet.

 

'Och, het jodendom zal het fascisme wel weer overleven' 
Deze reacties kwamen voor in alle lagen van de joodse bevolking. Rabbijn Philip Frank zei vlak voor zijn executie: De Duitsers ‘zijn zo klein; ze kunnen ons joden niets doen, alleen afmaken en och, het jodendom zal het fascisme wel weer overleven.’ Zakenman Arnold Kahn verwierp luidkeels het idee dat joden hun burgerrechten konden worden onthouden - hij werd gearresteerd en vermoord. Reclameschilder Lard Zilverberg knokte op straat met nationaal-socialisten - hij werd opgepakt en omgebracht. J. Hemelrijk, een leraar, vertelde scholieren dat hij geen ster droeg, omdat hij de autoriteit van de bezetters niet erkende. De typografe Fré Cohen dook onder - ze werd ontdekt en pleegde zelfmoord. De zionist Joachim Simon zette een vluchtroute op naar neutraal gebied - hij werd onderschept en nam zijn eigen leven. Bakker Jacques van de Kar smokkelde mensen in zijn bakfiets uit verzameldepots. Student Hans Katan vormde een verzetsgroep die probeerde een deportatiecentrum in de brand te steken - hij werd gepakt en geëxecuteerd. Fotograaf Gerhard Badrian nam de leiding van een groep op zich - hij kwam om in een vuurgevecht. Kapster Celine Kuyper werkte als koerierster - ze werd aangehouden, weigerde om te ontsnappen omdat haar medegevangen daarvoor zouden boeten en kwam om.

 

Veelvormig joods verzet
Veel van dit joodse verzet had een typisch Nederlands karakter, in die zin dat het voortkwam uit of aansloot bij algemene ideeën en groeperingen waar de joden zich thuisvoelden. Zo beriepen Kahn en Hemelrijk, hierboven genoemd, zich op gangbare begrippen van burgerrecht en autoriteit. Anderen namen het voortouw in organisaties die voortkwamen uit de vooroorlogse politieke stromingen van sociaaldemocraten, communisten en revolutionair-socialisten. Cohen en Van de Kar maakten gebruik van niet-joodse contacten in de artistieke en jongerengroeperingen waarvan zij lid waren. Simon kreeg hulp van een niet-jood in zijn omgeving. Katan en Badrian zochten medestrijders, wapens en explosieven bij niet-joden die zij voor de oorlog hadden leren kennen in hun studie en werk. Kuyper was actief in een algemene landelijke organisatie voor hulp aan onderduikers.
Toch had het joodse verzet ook een eigen identiteit. Het was verzet van slachtoffers. Het onderscheidde zich van het niet-joodse verzet doordat relatief veel joden deelnamen aan verzetsactiviteiten, inclusief gewapend verzet dat kwam van groepen zoals cs-6 van Katan, genoemd naar het adres Corellistraat 6 in Amsterdam, en de Persoonsbewijzencentrale waarvan Badrian de leiding nam. Soms ook werkten ze geïsoleerd en lieten ze zich expliciet inspireren door hun eigen geloof en cultuur, zoals Simon en zijn Palestina Pioniers, jongeren die zich voor de oorlog hadden voorbereid op emigratie naar Palestina.

 

Symbolisch verzet

Een ander verschil is dat joods verzet vroeg tot ontwikkeling kwam, dat wil zeggen voor juli 1942 en dus voordat het algemene verzet groeide naarmate de bevolking als geheel geraakt werd door Duitse maatregelen en het militaire verloop van de oorlog. Dit leidde tot een veelvormigheid van joods verzet. Het was symbolisch, zoals het zingen in Amsterdam en de moedige woorden van rabbijn Frank. Het was polemisch, zoals de publieke protesten van Kahn en Hemelrijk. Het was defensief, zoals de hulp en verzorging die Van de Kar, Kuyper en Simon gaven aan lotgenoten. Het was offensief, zoals het straatvechten van Zilverberg en de aanslagen van Katan en Badrian. Soms werden die vormen bepaald door bewuste en overtuigde keuzes die mensen maakten. Sommigen gingen voor geweld. Veel anderen waren niet gewelddadig of konden geen wapens vinden. Vaak was het verzet niet of nauwelijks georganiseerd, maar werd intuïtief en spontaan gepleegd. Of het kwam voort uit de wens tot zelfbehoud, een wil om de familie en groep te beschermen of simpel toeval, bijvoorbeeld omdat je iemand tegenkwam die jou kende en om hulp vroeg.

 

Visser versus Cohen
Niet iedere jood kon kiezen of koos voor verzet als er wel een keuze was. Maar dat betekende niet dat ze de vervolging passief aanvaardden. Hoe persoonlijke eigenschappen en omstandigheden een doorslaggevende rol speelden, blijkt uit een conflict tussen twee joodse prominenten: Lodewijk Visser en David Cohen. Visser was de voormalige president van de Hoge Raad. Cohen, hoogleraar aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam, was een van twee voorzitters van de in februari 1941 door de Duitsers ingestelde Joodse Raad. Deze instelling groeide in de loop van de oorlog uit tot een orgaan waardoor de bezetters hun anti-joodse maatregelen uitvoerden in heel Nederland. Cohen vond dat hij wel moest samenwerken met de Duitse autoriteiten en - onder protest - hun bevelen moest opvolgen om te vermijden dat zij hun maatregelen anders op gewelddadige wijze zouden uitvoeren. Visser, en met hem anderen, was het daar niet mee eens. Hij schreef aan Cohen: ‘Het is mogelijk, dat tenslotte de bezetter zijn doel met ons zal bereiken, maar het is onze plicht, als Nederlanders en als Joden, alles te doen wat hem het bereiken van dat doel kan belemmeren, alles na te laten, wat die weg voor hem kan effenen. Dat doet gij niet!’ Visser verzette zich ook op andere manieren. Hij protesteerde in het openbaar, weigerde bijvoorbeeld zijn identiteitspapieren aan te nemen omdat er een j op stond, maar schreef ook voor het illegale blad Het Parool. Bedreigingen weerhielden hem niet. Toen Cohen namens de Duitsers Visser waarschuwde dat hij naar een concentratiekamp zou worden gestuurd als hij zijn acties niet staakte, antwoordde die op 14 februari 1942: ‘Ik heb hiervan nota genomen en ben zeer onder den indruk van de vernedering, welke U, die de historie van deze stappen kent, door deze opdracht is aangedaan.’ Drie dagen later stierf Visser echter een natuurlijke dood.

 

Establishmentfiguren
Visser en Cohen hadden veel gemeen. Beiden kwamen uit een welvarende familie in de provincie en hadden carrière gemaakt in sectoren van de Nederlandse samenleving waar joden weinig belemmeringen vonden - de juridische wereld en het hoger onderwijs - maar verloren hun positie kort na mei 1940. Geen van beiden stond bekend als religieus, maar ze hadden wel een belangrijke rol gespeeld in joodse organisaties in Nederland. De twee mannen waren typische joodse establishmentfiguren, die op dezelfde wijze als de leiders van andere zuilen in de Nederlandse bevolking bereid waren om verantwoording te nemen voor hun bevolkingsgroep, deze te vertegenwoordigen en samen te werken met de Nederlandse autoriteiten. Er waren ook verschillen. Cohen was autoritair en elitair en zijn loopbaan liep tot 1940 gesmeerd. Visser was geen man van het volk, maar hij had zelf antisemitisme ondervonden in zijn vroege carrière, toen hij het ministerie van Buitenlandse Zaken verliet omdat hij voor joden geen mogelijkheden zag voor promotie op dit departement. Ook kreeg hij als rechtbankvoorzitter in Rotterdam vaak te maken met alledaagse zaken, waardoor het leven van de eenvoudige mensen hem wellicht meer bekend was dan Cohen en hij zich kon vereenzelvigen met de gewone jood en zijn lot. Cohen sloeg een pragmatische samenwerkingskoers in, Visser benadrukte het illegale karakter van de Duitse maatregelen en koos misschien mede vanwege zijn persoonlijke geschiedenis principieel voor verzet.

 

Waarom zo'n hardnekkig beeld? 
Joden lieten zich niet allemaal zonder verzet wegvoeren. Helaas kunnen we slechts gissen naar het antwoord op de vraag waarom dat beeld toch zo hardnekkig is. Is het een voortzetting van een ouder stereotiep? Komt het doordat niet-joden na de oorlog het verzet verheerlijkten en goede en actieve verzetsmensen tegenover foute landverraders en passieve joden plaatsten? Is het omdat na de oorlog joden alleen gehoor kregen als ze zich beriepen op hun slachtofferstatus? Of komt het doordat er zoveel joodse slachtoffers waren die uiteindelijk machteloos stonden tegenover de Duitse overmacht, Nederlandse collaboratie en niet-joodse onverschilligheid? Het definitieve antwoord zal voorlopig wel in het duister blijven.

 

Ben Braber is historicus. In 2013 verscheen van hem 'This cannot happen here. Integration and Jewish resistance in the Netherlands, 1940-1945', Amsterdam University Press, 2013. Over joods verzet schreef hij ook in Passage naar vrijheid (1987) en Zelfs als wij zullen verliezen (1990), beide uitgegeven bij Balans.

 


Verder lezen
• Cobie Frank, Alsof er niets gebeurd is. Terugblik van een joodse verzetsman, De Vijver, 1998
• Loes Gompes, Fatsoenlijk Land. Porgel en Porulan in het verzet (inclusief documentaire op dvd), Rozenberg Publishers, 2013
• Bill Minco, Koude voeten. Begenadigd tot levenslang: het relaas van een joodse scholier uit het Geuzenverzet, sun, 1997
• Ed van Thijn, Het verhaal, Meulenhoff, 2000

*  Uw e-mailadres

*
  Voer de code in: