Thorbecke's nieuwbouwplannen voor het Binnenhof

5

 

De huisvesting van een parlement roept emoties op. Mensen die de politiek wantrouwen, steigeren bijvoorbeeld bij elke uitgave voor renovatie. Politici en opiniemakers zien verband tussen het aanzien van een pand en de waardering voor de democratie. In het buitenland spat de trots inderdaad van de waardige parlementsgebouwen die er in de 19de eeuw zijn opgetrokken. In Nederland zetelt de volksvertegenwoordiging echter al 200 jaar in een ogenschijnlijk rommelig en oud complex.

 

Diederik Smit

 

Geen imponeerde façades

De Nederlandse Staten-Generaal zijn onlosmakelijk verbonden met het Haagse Binnenhof. Sinds zij twee eeuwen geleden voor het eerst in Den Haag bijeenkwamen, zijn de gebouwen aan weerszijden van de Ridderzaal hun onderkomen geweest. Toch is het Binnenhof eigenlijk een vreemde plek. Niet alleen is het de enige regeringszetel in de westerse wereld die niet in de hoofdstad van het land is gelegen, ook de architectuur ervan is opvallend. Waar elders het landsbestuur veelal verdeeld is over statige panden uit de 19de eeuw, zetelen regering en parlement in Nederland samen in een enigszins rommelig ogend gebouwencomplex waarvan de oorspronkelijke vorm nog grotendeels intact is gebleven. Hier geen imponeerde façades met zuilen, timpanen en erewacht, maar een afwisseling van middeleeuwse zalen, 17de-eeuwse vertrekken en een aanzicht dat eerder doet denken aan een rijtje grachtenpanden dan aan een klassieke tempel.
Waarom wijkt de vorm van het Nederlandse regeringscentrum af? Natuurlijk, het Binnenhof is een oude plek waar al eeuwenlang politiek wordt bedreven. Het complex was de zetel van graven van Holland, de residentie van de stadhouders en ten tijde van de Republiek de zetel van de oude Staten-Generaal. Reeds in de vroege 19de eeuw was het daarom een belangrijke plaats van herinnering voor menigeen die met trots of weemoed terugkeek op het vaderlandse verleden. Toch is dit niet het hele verhaal. In de meeste andere Europese landen waren vergelijkbare historische bestuurscentra te vinden en koos men in de loop van de 19de eeuw wel voor nieuwbouw of verplaatsing van het landsbestuur. Waarom gebeurde dit in Nederland niet?

 

‘Eene waardige, blijvende hulde’
Het behoud van het oude Binnenhof is geen kwestie van onverschilligheid. Afbraak van de historische gebouwen kwam verschillende keren aan de orde en ook aan alternatieven ontbrak het niet. Met name rond 1850, toen elders in Europa talrijke nieuwe regerings- en parlementsgebouwen verrezen, stond de huisvesting van het landsbestuur hoog op de politieke agenda.
Het was J.R. Thorbecke die als minister van Binnenlandse Zaken, in de nasleep van de grondwetsherziening van 1848, het initiatief tot vernieuwing nam. Vrijwel direct na zijn aantreden gaf hij architect J. Craner opdracht een geheel nieuw regeringscentrum te ontwerpen. Dit nieuwe gebouwencomplex zou het bestaande Binnenhof moeten vervangen en diende in de eerste plaats ‘representatief’ te zijn. Het zou in steen moeten weerspiegelen wat de liberalen met de grondwetswijzing van 1848 in staatkundig opzicht al voor elkaar hadden gekregen: een moderne, evenwichtige staat.

 

'eene waardige, blijvende hulde' 
Met de val van het eerste kabinet-Thorbecke in 1853 verdwenen de plannen echter in de ijskast. Pas eind jaren vijftig, onder een volgend liberaal kabinet, pakte de nieuwe rijksbouwmeester, de Rotterdammer W.N. Rose, de plannen weer op. Hij begon met goede moed, maar kwam al snel onder vuur te liggen. Zowel zijn nieuwe, in classicistische stijl opgetrokken regeringsgebouwen aan het Plein als zijn ingrijpende verbouwing van de Ridderzaal oogstten veel kritiek. Vooral de keuze om het middeleeuwse dak van de Ridderzaal te vervangen door een constructie van glas en gietijzer viel slecht. Uiteindelijk werd de architect gedwongen afstand te nemen van het project en lagen de nieuwbouwplannen voor de tweede keer in korte tijd stil. De liberalen lieten het er niet bij zitten. Thorbecke, die in 1862 aan een tweede termijn begon, presenteerde op 15 oktober 1863 in het kader van de viering vijftig jaar Koninkrijk het stoutmoedigste plan tot dan toe: ‘de oprigting van een paleis voor de beide Kamers der Staten-Generaal’. Een gebouw waarin ‘alle nationale overtuigingen een punt van vereeniging vinden’ en dat tevens ‘eene waardige, blijvende hulde’ zou brengen ‘aan het grondwettig verbond door het Stamhuis van Oranje in 1813 met het Nederlandse volk gesloten’. Hoewel dit ‘paleisplan’ meeondertekend was door koning Willem iii had de tekst duidelijk de signatuur van de liberale minister. Het was overduidelijk dat Thorbecke de viering van een halve eeuw Koninkrijk had aangegrepen om de door de liberalen gewenste nieuwbouwplannen alsnog ten uitvoer te brengen.

 

Geen liberaal volkspaleis
Deze politiek gemotiveerde keuze viel slecht in de Tweede Kamer, met name bij de meer conservatieve leden. Dit bleek wel tijdens het treffen in de Kamer op 19 oktober tussen Thorbecke en de oppositie. Vooral de wens van het kabinet om het nieuwe parlementaire paleis op te dragen aan het ‘grondwettig verbond’ en niet aan de ‘herwonnen onafhankelijkheid’ of het ‘Koninklijk Stamhuis’ stuitte op verzet. Men vierde in 1863 immers een halve eeuw verdrijving van de Fransen en de terugkeer van Oranje. 1813 was niet het jaar van de grondwet. Bovendien kwam de nadruk op het ‘grondwettig verbond’ tussen volk en vorst in de ogen van verschillende Kamerleden wel erg dicht in de buurt van Rousseaus ‘revolutionaire’ idee van een sociaal contract. Probeerde Thorbecke met zijn ‘volkspaleis’ soms het parlement boven de kroon te plaatsen?

 

Een liberaal paleis? 
De antirevolutionaire voorman G. Groen van Prinsterer twijfelde daar niet aan. Hij vond het voorstel in ieder opzicht ‘eene eenzijdige hulde aan de staatsrechtelijke theorien van dit Kabinet’. Er was hier geen sprake van het beoogde nationale paleis, maar slechts van een liberaal paleis. ‘In de uitdrukkingen “grondwettig verbond” en “paleis der Staten-Generaal”’ lag ‘een gansche cursus staatsregt naar den beginselen van de Minister,’ zo meende Groen. Het plan stond volgens hem bol van ‘partijgeest’ en ‘revolutionaire’ ideeën en zou daarom nooit ‘een punt van vereeniging’ kunnen zijn. Thorbecke kon zulke verwijten natuurlijk niet over zijn kant laten gaan, maar zijn verweer was allerminst krachtig. Hij draaide om de kern van de zaak heen en diende tegenstanders niet echt van repliek. Waarom blijft een beetje gissen, maar mogelijk had Thorbecke er gewoon niet veel tegen in te brengen. Groens kritiek was namelijk niet helemaal onterecht. Een andere mogelijkheid is dat hij geen zin had in een lang debat over allerlei principiële staatkundige opvattingen. Hij zag bovendien een kans de wet er snel door te drukken gezien de machtsverhoudingen in de Kamer op dat moment. Een beetje opportunisme was de staatsman niet vreemd. In elk geval deed hij weinig moeite om het draagvlak voor zijn plan te verbreden en loodste het voorstel zo vlug mogelijk door het parlement. Dat de Tweede Kamer op dat moment verre van compleet was, kwam Thorbecke goed van pas. Dankzij het grote aantal afwezigen werd het plan met 29 stemmen voor en 19 stemmen tegen aangenomen. Hiermee leek de weg naar de omstreden nieuwbouw vrij. In de jaren die volgden werd dan ook flink werk gemaakt van de zaak. Er werd een prijsvraag uitgeschreven en een speciale commissie werd langs de verschillende regeringscentra in Europa gestuurd om kennis te nemen van vergelijkbare bouwprojecten.

 

Bekvechtend door de gangen

Hoewel deze inspanningen enkele indrukwekkende ontwerpen opleverden, kwam het einddoel niet dichterbij. Sterker, hoe meer tijd er verstreek, des te meer de onenigheid en onvrede over het project toenamen. Groen van Prinsterer had het juist gezien: het nieuwe regeringscentrum werd niet ‘een punt van vereeniging’. Niet alleen tussen verschillende groepen in de Kamer, ook tussen de liberalen onderling stonden de verhoudingen inmiddels op scherp. Met name op de vraag wat de meest gepaste wijze was om de nieuwe staatkundige verhoudingen in het gebouw tot uitdrukking te brengen, kwam geen unaniem antwoord. Wat voor de één representatief was, gold voor de ander als volledig ongepast. Architecten, beleidsmakers en politici die enkele jaren eerder nog met goede moed aan het project waren begonnen, rolden nu bekvechtend door de gangen van het ministerie. Door al dit geruzie raakte het paleisplan steeds meer naar de achtergrond, tot het uiteindelijk omstreeks 1875 definitief in een van de archiefkasten van het departementsgebouw verdween.

 

De angel uit de discussie
Ook uit andere hoek was verzet gekomen. Steeds meer liberalen, partijgenoten van indiener Thorbecke, hadden zich bij de kritiek op de mogelijke nieuwbouw aangesloten. Hun inzet was het behoud van de historische bebouwing vanwege de waardering voor de nationale geschiedenis en de weldadige invloed daarvan op de maatschappij. Dat wij tegenwoordig nog van het monumentale Binnenhof kunnen genieten, is grotendeels te danken aan dit bondgenootschap tussen antirevolutionaire, conservatieve en liberale beschermers van het historische complex. In het laatste kwart van de 19de eeuw wisten liberale, protestantse en katholieke opiniemakers en politici gezamenlijk het huisvestingsbeleid te sturen in de richting van de cultivering van het gemeenschappelijke verleden. Het was deze pragmatische oplossing die de politieke angel uit de discussie haalde. Voortaan zou het Binnenhof niet langer meer inzet zijn van strijd, maar gold het juist vanwege zijn pluriforme karakter en historisch gegroeide architectuur als nationale plek bij uitstek.
Sindsdien is veel gedaan om het oude complex voor de toekomst te behouden, zoals restauraties waarbij in een aantal gevallen het historische karakter nog eens extra werd aangezet. Te veel in het oog springende nieuwbouw bleef uit den boze. Plannen van de architecten H.P. Berlage en D.E.C. Knuttel om het Tweede Kamergebouw in de jaren twintig rigoureus uit te breiden en te voorzien van een indrukwekkende nieuwe façade waren dan ook hetzelfde lot beschoren als het paleisplan van Thorbecke. Datzelfde gold voor de uitbreidingsplannen eind 20ste eeuw. Pas nadat architect P. de Bruijn had beloofd de nieuwbouw in te passen in de bestaande bouw, kon de uitbreiding doorgang vinden.

 

Eenheid in verdeeldheid
Het interieur van het Binnenhof is inmiddels compleet gemoderniseerd maar de plek heeft zijn oude charme en bescheiden karakter behouden. Wie het parlement of de premier bezoekt, zal dus nog altijd door een tamelijk onopvallende ingang naar binnen moeten. Voor de ‘bewoners’ van het complex zelf maakt dit echter niet uit. Zij zijn maar al te trots op hun Binnenhof. Niet alleen omdat het een van de oudste nog in gebruik zijnde regeringscentra in de wereld is, maar tevens omdat de architectonische ratjetoe een verschijnsel illustreert dat Nederlandse politici maar al te graag koesteren: eenheid in verdeeldheid.

 

Afbeelding: De Vijverberg in 1618, met links het Binnenhof. Op de voorgrond prins Maurits en Frederik Hendrik met gevolg, voorafgegaan door een groep hellebaardiers. Door Adam van Breen, Rijksmuseum Amsterdam. 


Dit artikel verscheen eerder in Geschiedenis Magazine (nr. 7, 2015). 

 

*  Uw e-mailadres

*
  Voer de code in: