Een onbekend jappenkamp

Melief3

 

Shanghai en Tientsin waren twee van de vele mondaine Chinese steden tussen de twee wereldoorlogen. Hier leidden de vele westerlingen die werkten bij buitenlandse firma’s een luxe expat-leventje. Tot 1943. Toen kwamen ze in een ‘jappenkamp’ terecht, in Noordoost- China. Over dit kamp, waar ook Nederlanders zaten, hoor je niet zoveel. Mieke Melief vond allerlei gegevens in oude familiepapieren.

 

Lichtstad van China

Shanghai, jaren ’20 van de vorige eeuw: een swingende stad met een bloeiende economie, waar het leven dag en nacht doorging. De Lichtstad van China bood een bruisend uitgaansleven, had een grote internationale haven en een indrukwekkende stedelijke infrastructuur. Shanghai oefende een grote aantrekkingskracht uit op West-Europese (voornamelijk Britse) en Amerikaanse jongemannen. Zij werkten bij de vele westerse bedrijven en handelsfirma’s die hier gevestigd waren sinds China de 19de-eeuwse Opiumoorlogen verloren had. Vanaf 1860 moest het land toestaan dat verdragshavens een soort minikoloniën werden, waar allerlei nationaliteiten hun eigen concessies hadden en vrijwel geen belasting betaalden dankzij de bij de Chinezen bedongen extraterritorialiteit. Buitenlandse troepen en kanonneerboten beschermden deze enclaves, die onder het gezag van westerse consuls vielen en later ook gemeenteraden kregen. De handel verliep via Chinese tussenpersonen, compradores genaamd. Deze manier van handeldrijven vergde veel geduld en fingerspitzengefühl voor de ongeschreven Chinese regels.

 

Nachtclubs, bordelen, casino's en opiumtenten
De jongemannen moesten sterk in hun schoenen staan om niet te bezwijken voor de verleidingen. Het wemelde er van de nachtclubs, waar je kon dansen met elegante Chinese en voor de Oktoberrevolutie gevluchte Russische singsong- of dansmeisjes, maar ook van de bordelen, casino’s en opiumtenten. Iedereen zette geld in bij de paardenraces. Alle denkbare westerse luxe was te koop en er werd betaald met chits, een briefje dat getekend werd, dus schulden liepen snel op. De vrijgezellen woonden in een mess, een huis waar bedienden hen verzorgden, en verplaatsten zich met hun eigen riksja of de tram. Het leven in Shanghai en andere grote verdragshavens als Hong Kong, Kanton en Tientsin was veel grootsteedser dan in Nederlands-Indië. Ook ging het hier met name om bedrijfspersoneel en niet om planters. Men werkte en leefde in de stad. De taipans (ceo’s van grote westerse bedrijven) die het gemaakt hadden, bewoonden met hun gezin grote villa’s/annex kantoren met daarachter een compound voor het personeel. Ze dansten in chique hotels of gingen naar de club voor borrels en partijen en beoefenden hartstochtelijk de Britse sporten. Een aanpassing aan de omstandigheden was de paper hunt: er was geen wild rond Shanghai, gewoon jagen ging niet. Geen nood, men zette een parcours uit met reepjes papier; wie het eerst op zijn paard bij de finish was, had gewonnen.

 

Er kwam een rode armwikkel
In 1912 had de Chinese keizer afstand gedaan van de troon, al bleef Puyi in naam nog keizer van China. In 1932 riepen de Japanners in noordelijk Mantsjoerije het keizerrijk Mantsjoekwo in het leven met Puyi als staatshoofd. In 1934 kwam hij zelfs als marionet op de troon (Bertolucci verfilmde in 1987 zijn leven in The last emperor). De Japanners hadden het hier, zeer tegen Chinese zin, sinds hun overwinning in de Russisch-Japanse Oorlog voor het zeggen. Dit was internationaal bevestigd na de Eerste Wereldoorlog, alleen ging de nieuwe Japanse bemoeienis verder. Mantsjoekwo was een vazalstaat en de Japanse invloed strekte zich steeds zuidelijker uit.
De westerlingen staken hun kop in het zand. In Tientsin in het noorden bijvoorbeeld, de tweede grote verdragshaven in China, bleef het business as usual, zelfs na het uitbreken van de Chinees-Japanse Oorlog in 1937 en de bezetting van Nanking en Peking. Ook de echtgenotes verhuisden hiervandaan nog iedere zomer voor twee maanden naar Peitaiho aan zee, naar luxe vakantievilla’s en hotels, met kinderen en personeel. Na de Japanse aanval op Pearl Harbor (7 december 1941) was het afgelopen met het beschermde welvarende leven. Tussen de concessies werden versperringen aangebracht en controleposten neergezet. De inwoners mochten hun concessies niet meer zonder toestemming verlaten. Burgers van de vijandelijke landen moesten een rode armwikkel dragen met daarop hun nationaliteit in Chinese karakters geborduurd. De zaken vielen stil en het spaargeld werd aangesproken. Op aanraden van de consuls kwam een repatriëringsbeweging op gang; Nederlanders konden door de Duitse bezetting niet naar het vaderland maar nog wel naar Indië.

 

Geallieerde burgers geïnterneerd
In maart 1943 worden alle dragers in Tientsin van de gehate rode wikkel geïnterneerd. Ze moeten naar een ‘jappenkamp’ voor geallieerde burgers in Weihsien, in de noordoostelijke provincie Shantung. Per trein worden ze naar een verlaten kostschool gebracht, een vervallen vervuilde bedoening met rijen lage en piepkleine kamertjes (de voormalige studentenslaapkamers). 

 

Hoe ging het verder met de geïnterneerde burgers in dit 'jappenkamp' in Noordoost-China? Lees het in ons januarinummer, verkrijgbaar in de betere boekhandel en kiosk! 

 

Afbeelding: De westerse levensstijl in Shanghai in 1924. 

*  Uw e-mailadres

*
  Voer de code in: