De ontploffing van de Neptunus

Paesie1

 

We kennen de verhalen over de Afrikanen die als slaaf naar de overkant van de Atlantische Oceaan werden gebracht en er een vreselijk leven tegemoet gingen. Heel soms verzetten zij zich al tijdens de reis tegen dat lot. Spectaculair was het oproer aan boord van het Zeeuwse slavenschip de Neptunus in 1785. Een belangrijke bron voor deze geschiedenis zijn de brieven die Louis Rheeder, commandant van het fort Nassau te Mourée aan de Goudkust (het huidige Ghana), schreef aan Adolph Thierens, WIC-gouverneur in Elmina. Ruud Paesie onderzocht de ware toedracht en schreef er onlangs een boek over.

 

Stuurloos

Op maandagavond 17 oktober rond zeven uur hoorde commandeur Rheeder vier ‘nootschoten’, afkomstig van de Neptunus. Hij gaf direct orders en zond manschappen met kano’s ter assistentie naar het in nood verkerende slavenschip. Een paar uur later keerden zij onverrichterzake terug, gevolgd door de bemanningsleden van het Nederlandse slavenschip. Uit hun relaas bleek dat de opstand vroeg in de avond was uitgebroken, nadat enkele slaven kans hadden gezien om zich van hun hand- en voetboeien te bevrijden. Daarna braken zij het ijzeren rooster open, klommen aan dek en vielen de toegeschoten bemanningsleden met slag- en steekwapens aan. De kok en bootsmansmaat raakten daarbij gewond en verscheidene slaven zagen kans om overboord te springen. Ondanks alle commotie slaagde het scheepsvolk erin de andere opstandelingen weer terug in de ruimen te drijven, maar het kon niet verhinderen dat zij daar de palissaden en houten schotten van de slavenverblijven afbraken. Zo kregen de slaven toegang tot de kruit- en wapenkamer. In daaropvolgende vuurgevechten, waarbij de bemanning met ‘kogels, zout, en wat ze maar hadden’ op de slaven schoot, werd een matroos gedood. Inmiddels warende te hulp geschoten kano’s met Afrikanen van Mourée gearriveerd en die trachtten de muiters tot rust te manen. Tevergeefs. Schreeuwend antwoordden die dat zij zich niet wilden overgeven en zouden doorvechten tot alle blanken gedood waren. Bovendien dreigden zij het schip op te blazen en raadden de ‘vrijneegers [aan], zoo ze niet haar leeve wilden verliezen’,
om zich zo snel mogelijk uit de voeten te maken. Na deze woorden sprongen die onmiddellijk in hun kano’s en roeiden weg. De bemanningsleden verloren daarna de controle over het schip en waren genoodzaakt om het voorbeeld van de Afrikanen te volgen. Ook zij zochten een goed heenkomen en brachten zich met de sloep in veiligheid. Daarna kapten de opstandelingen de ankerkabels van de Neptunus en dreven stuurloos weg. Alleen ‘den Heemel’ zal weten wat er met hen zal gebeuren, schreef de commandant van Nassau in zijn eerste brief.

 

De kapitein was nog aan wal
Zijn vertwijfeling zal niet bepaald zijn weggenomen, toen hij bovendien vernam dat kapitein Vervenne niet aan boord was geweest. Die bevond zich aan wal, in het nabij liggende Engelse Cape Coast Castle, en was zodoende nog onwetend over de gebeurtenissen op zijn schip. Met spoed zond Rheeder hem twee brieven. Daarna schreef hij zijn verslag aan Thierens,
dat hij rond middernacht verstuurde. De weergave van de beschreven gebeurtenissen in fort Nassau wordt door Carel Rühle, de passagier van de Neptunus die op de bewuste avond bij zijn vriend Rheeder op bezoek was, in grote lijnen onderschreven. Het verschil zit hem in de details. Zo noemde Rühle half acht als tijdstip van de opstand, zouden er twee schoten vanaf de Neptunus zijn gelost en zond Rheeder drie kano’s met ‘vrijnegers’ ter assistentie. In de daaropvolgende twaalf uur volgden de gebeurtenissen elkaar snel op en door de toenemende betrokkenheid van buitenstaanders kwamen ze in een stroomversnelling. De verzonden brieven waren op de bestemde plaatsen afgegeven en Vervenne had zich naar Mourée gehaast, waar hij zich met de rest van zijn bemanning herenigde. Vandaar voeren zij in het donker naar de Neptunus om hun schip te ontzetten. Of Vervenne ook daadwerkelijk aan boord is geweest, werd door Rheeder later in twijfel getrokken.

 

Engelse en Afrikaanse plunderaars
Het bericht over de slavenopstand verspreidde zich als een lopend vuurtje. Vooral het nieuws dat het slavenschip door de bemanning was verlaten. Dit bood perspectief voor bergers en velen grepen de gelegenheid aan om uit de chaotische situatie voordeel te behalen. Zo ook
kapitein James Charles, gezagvoerder van het Engelse slavenschip Africa, die op dinsdagmorgen Vervenne te ‘hulp’ schoot. Aangestuurd door dezelfde drijfveren doken tientallen kano’s met bewapende Afrikanen uit Mourée, Cormantijn, Anamabo en andere kustdorpen op bij de schepen. 

 

Hielden de opstandige slaven stand tegen de tientallen schepen en kano's met plunderaars? Lees het in ons januarinummer, nu te koop in de boekhandel! 

 

Afbeelding: De slavenhandel, mezzotint van John Raphael Smith naar een schilderij van George Morland uit 1781. Rijksmuseum, Amsterdam. 

*  Uw e-mailadres

*
  Voer de code in: