Oefenen voor Brexit: het Britse referendum over Europa in 1975

1 Engeland

 

Op 23 juni 2016 sprak de Britse bevolking zich uit voor een 'Brexit', een vertrek uit de Europese Unie. Het wachten is nu op de start van onderhandelingen tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk. De relatie tussen beiden is al tientallen jaren een moeizaam. Toch kozen de Britten bij een eerder referendum op 5 juni 1975 vóór Europese samenwerking.

 

Ivo van de Wijdeven

 

Marathonvergadering van 300 uur
Het referendum over Europa kwam tweeënhalf jaar na de Britse toetreding tot de Europese Economische Gemeenschap (EEG). Over die toetreding hadden de Britten jarenlang getwijfeld. Ze waren afgehaakt bij de onderhandelingen over het Verdrag van Rome, waarmee de EEG in 1957 werd gevestigd, omdat ze meer economische voordelen in het eigen Britse Gemenebest zagen. Toen de Britten zich later bedachten, blokkeerde de Franse president Charles de Gaulle tot tweemaal toe de Britse toetreding, omdat hij vreesde voor een meer Atlantische oriëntatie van de EEG. Toen de Gaulle in 1969 aftrad, besloot de Britse Conservatieve premier Edward Heath een derde poging te doen. Hij hoopte dat het lidmaatschap van de EEG en de hieruit resulterende toegang tot de Europese vrijhandelszone de broodnodige impuls zou geven aan de kwakkelende Britse economie.
In 1970 begonnen de onderhandelingen. Die verliepen moeizaam. De Britten vreesden namelijk dat zij de dupe zouden worden van het gemeenschappelijk landbouwbeleid van de EEG. Binnen de EEG ontvingen boeren exportsubsidies en die subsidies werden betaald door importheffingen. Aangezien het Verenigd Koninkrijk zelf een relatief kleine landbouwsector had en veel invoerde (met name uit het Gemenebest), voorzagen de Britse onderhandelaars dat het gemeenschappelijk landbouwbeleid nadelig zou uitpakken. Uiteindelijk was de regering-Heath van mening dat dit nadeel niet opwoog tegen de voordelen van toetreding. Ook het Britse parlement dacht er zo over en stemde na een marathonvergadering van driehonderd uur met een nipte meerderheid in. Op 1 januari 1973 trad het Verenigd Koninkrijk samen met Ierland en Denemarken toe tot de EEG.

 

Ongelijke strijd
Niet iedereen was voorstander van de voorwaarden waaronder het Verenigd Koninkrijk toetrad. Bovendien bleef de economische crisis aanhouden. Oppositiepartij Labour vond dat de Conservatieven de Britse belangen in de toetredingsonderhandelingen hadden veronachtzaamd en maakte dit tot een belangrijk onderwerp voor de parlementsverkiezingen van 1974. Onder leiding van Harold Wilson stelde Labour heronderhandelingen en een referendum over het resultaat in het vooruitzicht. Dit was niet alleen bedoeld om stemmen te trekken, maar diende vooral ook om de linkervleugel van Labour, die zelfs pleitte voor uittreding uit de EEG, binnen de partij te houden. Wilson koos in het Labour-verkiezingsprogramma voor ‘fundamentele heronderhandelingen’ als bezweringsformule.
Labour wist na een woelig politiek jaar met twee parlementsverkiezingen uiteindelijk in oktober 1974 een kleine meerderheid in het parlement te behalen. De kersverse premier Wilson kon gaan onderhandelen met de andere lidstaten van de EEG. Die bleken alleen bereid tot kleine aanpassingen en cosmetische veranderingen zolang die binnen de bestaande Verdragen gerealiseerd konden worden en geen grote wijzigingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid met zich meebrachten.

 

Aanzienlijke successen
De heronderhandelingen werden afgerond in maart 1975. De Britse regering had er uitzonderingen voor de import van zuivel en suiker uit Gemenebestlanden uit weten te slepen en, belangrijker, de invoering van een ‘correctiemechanisme’ voor de afdrachten van importheffingen binnen het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
Wilson moest toegeven dat het geen fundamentele wijzigingen waren, maar hij sprak wel van ‘aanzienlijke en onverwachte successen op verschillende terreinen’. Een referendum durfde Wilson wel aan. Bijzonder was dat hij de leden van zijn kabinet vrij liet om zelf hun standpunt te bepalen. Bewindspersonen die tot de linkervleugel van Labour behoorden, voerden campagne tegen het Britse EEG-lidmaatschap, maar met zeven tegen zestien vormden zij een minderheid in het kabinet.

 

Weinig sympathie voor anti-kamp
De campagne in aanloop naar het referendum was sowieso een ongelijke strijd. Het pro-kamp bestond uit de kopstukken van Labour - naast Wilson ook prominenten uit de rechtervleugel als Roy Jenkins, David Owen, Bill Rodgers en Shirley Williams - en bijna de gehele Conservatieve Partij onder leiding van oud-premier Heath en pas benoemd partijleider Margaret Thatcher. Het anti-kamp was een weinig geloofwaardige, halfhartige alliantie van de linkervleugel van Labour, de Communist Party en gelieerde vakbonden, enkele rechtse Conservatieve backbenchers, het extreemrechtse National Front en de Schotse, Welshe en Noord-Ierse nationalistische partijen. Het anti-kamp kon op weinig sympathie rekenen. Niet alleen de Britse bevolking, maar vooral ook de gevestigde orde moest er weinig van hebben. Het zakenleven, voorop de Londense City, en de media schaarden zich volmondig achter het pro-kamp. Het gevolg was dat de voorstanders van het Britse lidmaatschap meer dan twintig keer zoveel geld te besteden hadden en een veel effectievere campagne konden voeren.

 

Onvolledig voorgelicht?
Op 6 juni 1975 werd de uitslag van het referendum bekendgemaakt. Met een ruime twee derde meerderheid waren 17 miljoen Britten voorstander van het Britse EEG-lidmaatschap, tegenover 8 miljoen tegenstanders. De opkomst was met 65 procent van de stemgerechtigden erg groot. Premier Wilson verklaarde: ‘Een oordeel is gegeven door een grotere stem, door een grotere meerderheid, dan door welke Britse regering dan ook ooit in parlementsverkiezingen is behaald. Niemand in Groot-Brittannië of de rest van de wereld kan twijfelen over de betekenis ervan. Het was een vrije stemming, constructief en zonder rancune uitgevoerd. Hiermee komt een einde aan een nationale discussie van veertien jaar.’
Het tegendeel bleek waar. Het door de regering-Wilson heronderhandelde compensatiemechanisme voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid bleek in de praktijk niet het gewenste resultaat op te leveren. Pas in 1984 wist Thatcher als premier tijdens de Europese Top in Fontainebleau een speciale terugbetaling af te dwingen. Thatcher was niet meer zo pro-Europees als ze ten tijde van het referendum was geweest. Ze wilde ‘haar geld terug’, en ze kreeg het.

 

Op langere termijn wist het referendum ook het door Wilson gevreesde schisma in zijn partij niet te voorkomen. De pro-Europese rechtervleugel hield het in 1981 niet langer uit met de anti-Europese linkervleugel. Jenkins, Owens, Rodgers en Williams splitsten zich af en vormden de Social Democratic Party, die in 1988 samen met de Liberals opging in de Liberal Democrats. De linkervleugel verlegde ondertussen de koers van Labour: tijdens de regeringsjaren van Thatcher pleitte de partij onverholen voor een vertrek uit de EEG, zonder referendum.

 

Onvolledige voorlichting
In de publieke opinie heerste ondertussen de gedachte dat de Britse bevolking was misleid of op z’n minst onvolledig was voorgelicht over het referendum. De EEG bleek al snel over meer te gaan dan alleen vrijhandel en de gemeenschappelijke markt. De pro-campagne had toekomstplannen als de Europese Unie en de Economische en Monetaire Unie, en het feit dat Europees recht boven het nationaal recht stond, voor het gemak achterwege gelaten. De overdracht van bevoegdheden aan Brussel werd slechts in bijzinnen genoemd. De anti-campagne overdreef juist schromelijk door te stellen dat de gemeenschappelijke markt de opmaat was voor de vorming van een Europese superstaat.
Achteraf bezien gaven de Britten tijdens het referendum in het stemhokje waarschijnlijk niet zozeer antwoord op de voorliggende vraag, dan wel dan op de vraag welke politici ze het meest vertrouwden. Toen Jenkins werd gevraagd naar een verklaring voor de uitslag van het referendum, zei hij: ‘De Britten hebben het advies gevolgd van de mensen die ze gewend waren te volgen.’

 

Artikel 50-procedure
Zo’n veertig jaar later hebben de Britten dat niet gedaan. Net als Wilson had premier David Cameron te maken met twee vleugels in zijn partij: een pro-Europese linkervleugel en een anti-Europese rechtervleugel. Hij hoopte met het uitschrijven van een referendum in één klap een eind te maken aan de ontevredenheid bij de Britse bevolking over Europese regelgeving, in het bijzonder ten aanzien van immigratie, en zowel de morrende rechtervleugel van zijn eigen Conservatieve Partij als de populistische uk Independence Party (ukip) van Nigel Farage de wind uit de zeilen te nemen. 

 

Het omgekeerde is het geval. De rechtervleugel van de Conservatieven sloot een monsterverbond met ukip en andere eurosceptici. Door in een ronduit misleidende campagne in te spelen op de ontevredenheid bij de Britse bevolking behaalde het ‘Brexit’-kamp de overwinning. Cameron besloot op te stappen en het is nog niet duidelijk hoe het nu verder moet. De nieuwe premier Theresa May heeft in oktober laten weten dat zij de zogeheten artikel 50-procedure, het onderhandelingsproces voor het vertrek van een lidstaat uit de Europese Unie, uiterlijk eind maart 2017 zal starten. Het Verenigd Koninkrijk en de eu hebben dan twee jaar om afspraken te maken over de relatie na het Britse vertrek. Het is ongewis wat de uitkomst zal zijn van dat proces.

 


Ivo van de Wijdeven is historicus en politiek analist. Dit jaar verscheen zijn boek ‘De rafelranden van Europa’ over de geschiedenis van de Europese grenzen.

 

Dit artikel is een geactualiseerde versie van het artikel dat eerder is gepubliceerd in Geschiedenis Magazine 2/2015.

 


Verder lezen

• I. van de Wijdeven, De rafelranden van Europa, Unieboek/ Het Spectrum, 2016 
• D. Butler en U. Kitzinger, The 1975 Referendum, Palgrave Macmillan, 1996
• D. Gowland en A. Turner, Reluctant Europeans. Britain and European Integration, 1945-1998, Routledge, 2000
• D. Sandbrook, Seasons in the sun. The battle for Britain 1974-1979, Allen Lane, 2012

 

Bijschrift foto: 

Een uitgesproken tegenstander van Britse deelname aan de EEG was John Enoch
Powell, een eigenzinnige en dwarse Conservatief. Volgens hem zou hierdoor de Britse
soevereiniteit worden verkwanseld. Powell was van 1950 tot 1974 parlementslid voor
de Conservatieve Partij. Uit onvrede met het pro-Europese standpunt van zijn partij,
stapte hij over naar de Noord-Ierse Ulster Unionistische partij.

*  Uw e-mailadres

*
  Voer de code in: